Grow

The more I learn, the less I know. Dat gaat Jeangu Macrooy zingen op het songfestival en dat heet dan Grow. Tot die wijsheid ben ik ook gekomen maar op een of andere manier heet het bij mij niet Grow maar Blijven Steken. In hetzelfde. In hetzelfde onbegrijpelijke van Leven en Dood.
Hoewel ik daar al best veel over heb geleerd en weet, blijf ik hetzelfde niet weten. Of misschien wel steeds minder.
Mijn lieve poes Mazi is afgelopen maandag overleden. Bijna negentien was ze. Te verwachten, zou je zeggen. Dat gebeurt vaker, dat mensen of dieren komen te overlijden wanneer ze heel oud zijn. Daarnaast was Mazi ook nog eens ziek, en al enkele maanden dementerend. Ze was een zorgpoesje geworden. Mijn zorgpoesje en mijn allerbeste vriendje voor bijna negentien jaar lang kreeg vanzelfsprekend al mijn liefde.
Je ziet het aankomen, zou je zeggen.
Dat zag ik ook. Op een dag zou Mazi er niet meer zijn. Logisch, zelfs. Maar dit was in mijn hoofd, niet in mijn hart. Bleek later.
Ineens was Mazi er niet meer, ineens ademde ze niet meer, ineens was ze dood. Nooit tettert het Leven in al haar aanwezigheid harder in je oren dan bij dood. Ineens zit jij er middenin, en zij niet. Shocking.
Al het logische, zelfs het gunnen vervalt. Doe het weer, adem weer. De leegte is te groot voor mij. Ga niet bij me weg.
Gelukkig bestaat er een truc om dit soort zaken wat langzamer te laten doordringen. Zodat het hanteerbaar blijft, voor ons. Het is de dan-besta-ik-ook-maar-even-niet-truck. Of half. Of soms.
Het is een universele truc, toegepast op mensen. Omdat ze denken.
De dag na Mazi’s overlijden belde er een man aan, in de ochtend. Ik wist daarvan. Die man zou een uitlaat brengen, voor onder de auto. Ik had dat goed gevonden en wist ook wat een uitlaat was. Dat is zo’n pijpje wat je aan de achterkant van de auto uit ziet steken. No problem.
‘Zal ik hem in de schuur zetten,’ vroeg hij.
Hem was in dit geval geen pijpje maar iets wat leek op wat ik kende van de kunstacademie maar dan wel drie meter lang. Horizontaal. In plastic.
De schuur. Maar ik was aan het wassen, in de schuur. Het bevlekte kussensloop waar Mazi op had gelegen. Mijn kleding met haar geur van haar ziek-zijn. De doekjes waarmee ik haar kots had opgeruimd. De handdoek waarmee ik haar had gewassen toen ze dat zelf niet meer kon.
Als ik het deurtje van de wasmachine open moest doen, moest mijn brommer aan de kant. Dus waar moest het kunstwerk dan staan?
En, bedacht ik, dan moet ik de schuurdeursleutel gaan pakken.
En daar zei mijn hart wat in mijn hoofd was beland en mijn hersens die zich terecht afvroegen in welk bestemmingsplan zij terecht waren gekomen: shut down, lights off.
‘De schuur is vol. Het kan niet’.
Verder zei ik niets.
De man met zijn armen vol uitlaat keek mij vragend aan.
En nu?
O ja. Dat ding moet ergens heen.
Ik gebaarde hem naar binnen, wees naar links en zei:
‘Gooi hem maar op bed’.
De man keek nu echt heel vreemd, en meestal wanneer mensen heel vreemd kijken is daar een goede reden voor.
‘Is hij zwaar?’ vroeg ik.
De man worstelde zich met uitlaat langs mijn schoenen en wat er zoal nog meer los in de gang lag en constateerde, net als ik, dat het ‘op bed gooien’ van de uitlaat geen doorgang kon vinden. Ik (mijn hersens) waren vergeten dat dat het bed vol lag met gewassen en ongewassen was en alle grote kussens van de bank in de woonkamer. Want ik had de afgelopen nachten geslapen bij Mazi. Voor als ze me nodig had. Om bij haar te zijn.
Ik flikkerde de hele heisa van het bed af en zowaar, ik had een nieuwe bedgenoot. Ik moest nog tekenen voor ontvangst maar halverwege mijn handtekening was de man al zo ongeveer verdwenen. Ik geloof rennend, als ik mij dat goed herinner. Het is niet belangrijk.
Geen slobberbakjes meer, geen voorraad keukenrol, niet meer achter Mazi aanrennen wanneer ze naar buiten gaat. Omdat ze zich niet meer kan verdedigen of oriënteren. Niet meer samen slapen of haar kammen met haar mini-Mazi-borsteltje. Geen Mazi meer met haar part-time vensterbankbaan om alles goed in de gaten te houden. Mijn lieve Mazi die, hoe ziek ze ook was, begon te ronken bij een aaitje middenin de nacht.
Ik hou ook van jou.
Dieren- met hun onbaatzuchtige, onvoorwaardelijke Liefde. Wij mensen halen dat niveau vaak niet. In die loyaliteit en met altijd een open hart. Over Liefde leren wij van onze dierenwezens dat het iets is wat je eigenlijk al Weet, Herkent en kan Voelen. Waardoor je eigenlijk nooit meer over iets na hoeft te denken.
Grow, mensheid.

Getagd , , , , , , , , , , , . Bladwijzer de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *