Over gup en geluk

Jopie has gone. Hij ronkt me niet meer in slaap, zit niet meer gezellig samen met mij op de bank. Al vier weken niet. Al vier weken lang heeft mijn prinsje mijn liefde en toewijding verruilt voor de wijde wereld en zijn voortplantingsdrang. Er stond ook inderdaad niet zo’n heel appetijtlijke afspraak voor hem in de agenda van de praktijk verderop.
Vanmorgen bloeide mijn hoop weer op qua mijn missie finding Jopie. Dat was nog voor mijn tweede bak koffie en dat is niet goed. Mijn lichaam is een soort locomotiefje wat loopt op langzaam stijgende bloedsuikers en daarvoor zijn de koffie, het ontbijt en verfrissende douche onontbeerlijk. Dan kan het niet alleen ‘functioneren’ zeggen, het kan het ook doen.
‘Is dit Jopie?’ stuurt mijn ex-buurman een vage foto van in ieder geval een soort Jopie, zonnend op het dak van een schuur. Bij bak koffie nummer één.
Het zou hem kunnen zijn.
Ik bel hem op, waar moet ik heen, waar is dat dak, hoe zag je hem?
Nu naar buiten rennen, met onesie aan, onesie uit, met BH of zonder maar dat ziet er zo gek uit, een rennende vrouw zonder BH. Ga ik rennen, hoezo rennen, ik ren toch nooit? Die route, hoe moet ik lopen, mijn hoofd onthoudt het niet.
‘Ik kom eraan, ik bel je weer op’.
Ik schiet in een BH, jurk, vest, schoen en bel hem weer.
‘Waar is je huis?’
De ex-buurman laat me zien hoe hij Jopie zag en neemt mij daarvoor mee naar de zolder. Twee trappen op wat zonder bak twee, mijn ontbijt en douche een zware opgave is. Half opgemaakt, althans op één oog is de eyeliner blijven zitten en op het andere niet, kijk ik met hem mee naar het bewuste dak van het schuurtje. No Jopie.
Ik loop terug en roep.
‘Jopie! Jopie! Jopiejopiejopie, Jopie!’
Een vrouw in pyjama loopt haar tuin in om te vragen wat er aan de hand is.
‘Ik zoek mijn kater Jopie,’ leg ik uit om vooral niet het misverstand te laten ontstaan dat ik mijn vriend of man zoek van wie ik het vermoeden heb dat hij zich ergens in een huis bevindt rondom haar tuin (of in het hare).
Nogal duizelig en teleurgesteld thuisgekomen ga ik over tot het ontbijt van de dag. Het locomotiefje meldt het voor gezien te houden voor die dag, als het zo moet kan ik het schudden met ‘aan en gaan’. Maakt niet uit wat ik er nog aan grondstof ingooi.
Telefoon. Onbekend nummer.
Sinds mijn ‘incident’ internetfraude, of Vriend In Nood (VIN) fraude vorig jaar ben ik bang geworden voor Onbekende Nummers. Pas na de rechtszaak dit jaar neem ik ze, zij het met angst en beven, weer op. Het is Martin.
‘U kent mij niet, en ik u niet’, zegt Martin.
‘Waarom belt u mij dan op?’
Martin is van de Jehova’s en wil mij helpen bij al mijn levensvragen.
Ik val stil omdat ik niet wist dat Jehova’s tegenwoordig bellen en niet weet hoe ik de deur dicht moet doen wanneer ik een Jehova aan de telefoon heb. Wat Martin de gelegenheid geeft lustig door te praten. Nu kan ik best wakker liggen van levensvragen maar nu net vandaag niet. Vandaag moet ik het doen met de praktijk.
Ze hebben ook een website waar ik op kan kijken, vertelt Martin vrolijk.
Gelukkig geeft mijn locomotiefje spontaan een fluitsignaal af.
‘Nou Martin,’ fluit het, ‘ik wens je veel succes met je goede bedoelingen en dan hang ik nou op. Prettige dag, doei, doei!’ Dat doet de deur dicht en ook Martin zegt ‘doei’.
Vervolgens gaat de bel.
Uitgeput van het fluitsignaal gaat er iets totaal mis in het motorblok en struikelt de gehele locomotief van de rails. Dat geeft veel lawaai en klinkt alsof er een lading krachttermen tegelijkertijd geschreeuwd worden. Ik flikker de deur van het slot en gooi hem open.
‘Niets aan de hand,’ roept de aanbeller, terwijl hij zijn handen in overgave in de lucht steekt en voor de zekerheid nog een paar passen achteruit stapt.
‘Waar bent u van, en wat moet u?’
Hij is van iets met budget en energie, en ze gaan de wijk door.
‘Daar heb ik geen behoefte aan,’ meld ik en de meneer ook niet blijkbaar want hij is de oprit al af en staat alweer ‘in de wijk’.
Tijd om te douchen. En dat lijf in het gareel te krijgen. Want ik moet ook nog naar het ziekenhuis, voor behandeling van de cockpit van de locomotief. Die zonder dat niet door de APK heen komt, na mijn cockpitschudding van een aantal jaren terug.
De monteur die dit onderhoud verricht is een charmante dame met een lieve glimlach en meestal hooggehakt. Die mij vakkundig pijn gaat doen, met diezelfde glimlach. Omdat het anders niet helpt en zij zoveel houdt van haar vak dat zij dat als zodanig wil uitoefenen. Voor vandaag weet ik dat zij een topdag zal hebben nu mijn locomotief het af laat weten. Voor vandaag weet ik dat mijn lichaam slingert als Tarzan aan een liaan en alleen nog ‘whoewoeawieaaaaaaaaa’ kan roepen.
Maar na de behandeling van de vrolijke, vakkundige, therapeute is zelfs Tarzan in geen velden of wegen meer te zien en blijft er van mij alleen nog een soort Jane over.
Die gered moet worden.
Niveau ‘ja maar als ik de spulletjes uit mijn tas heb gehaald…..dan passen ze ze er toch ook weer in….hee….dat-is-vreemd….huuh hoe kan-dat-nou?’
Wanneer ik eindelijk zover ben ‘nou-daar-ga-ik-dan’ neemt mijn therapeute afscheid met de woorden:
‘Niet met vreemde mannen meegaan’. Wat empathisch. Wat een goed idee!
Bij de deur van het ziekenhuis staan alleen geen ‘vreemde mannen’ maar een mevrouw. De ziekenhuisdeurmevrouw en zij staat daar sinds corona. De vorige keer complimenteerde zij mij met mijn kleding en uiterlijk. Zij keek mij daarbij zeer gepassioneerd in mijn ogen. Waarin ik de boodschap las: ‘ik ga je pakken, en als ik je heb, eet ik je op’.
En daar stond ze weer. Tussen de deur en de lift.
En ik stond daar met mijn mondkapje op. Wat heel mijn gehavendheid, onaantrekkelijkheid, verborg en van mijn Jane-staat was al helemaal niets te zien.
‘Wat zien WE er weer mooi uit!’, riep ze, en dan niet met een glimlach. Maar met een lach van oor tot oor, helemaal open en bloot.
‘Gaat u mee in de lift,’ vroeg plots de ene helft van een ouder echtpaar die klaarblijkelijk spontaan uit de hemel waren gevallen. En wel precies voor de lift.
‘Wij zijn geprikt,’ voegde zij er triomfantelijk aan toe.
‘Ja,’ riep ik, ‘ik ga mee…!’

Onderweg kom ik er nog net op tijd achter dat ik over mag steken, niet wanneer de auto’s stoppen maar wanneer er op zo’n paaltje een lampje gaat branden. Je hebt ze in rood en groen en dan is het de onderste. Ook raakte ik de weg kwijt op de rotonde. Ik kwam er redelijk makkelijk op, maar hoe kom je er weer vanaf? Daar zat toch een systeem in?
Thuis op de bank, en koffie als een oprecht bakje pep en troost. Mijn locomotief pruttelt pesterig ‘ik doe lekker niks, ik doe lekker niks meer, had je maar normaal op moeten staan’. Kan me niks schelen, zeg ik terug.
De tulpen bloeien. De tulpen bloeien prachtig, in mijn tuin. Ik ben gup en gelukkig. Ik ben een geluksguppie. Jopie come home, het is hier fantẚstisch.

 

 

Getagd , , , , , , , , . Bladwijzer de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *