Plukkende de dag

Het zal je maar gebeuren. Net op je vrije dag, terwijl je net fluitend achter het stuur van je auto zit, hoor je op de radio dat er 2,5 miljoen euro is gevonden door de politie. In een woning in Nieuwegein. Jouw woning in Nieuwegein. In jouw kast op jouw slaapkamer- je bent op de hoogte want je hebt het er zelf neergelegd. Zoiets laat je dan niet meer los en de gevoelstemperatuur van je humeur daalt binnen milliseconden. Van het carpe diem is niets meer over.  Treurig, dat soort incidenten. En je wil je er niet door laten beïnvloeden maar het gebeurt toch.
Ik heb dat ook, die pluk-de-dag-instelling om er dan achter te komen dat iemand me voor is.
Laatst zei een vreemde vrouw tegen mijn Lief (terwijl ik naast hem stond):
“U mag hem er van onder insteken”.
Verbijsterd keek ik van hem naar haar en terug maar mijn Lief deed het gewoon. Om daarna ook nog eens nogal knorrig op te merken dat hij ‘heus wel wist hoe het moest’ en wel omdat het voor hem ‘echt niet de eerste keer was’. Dat wist ik, dat het voor hem niet de eerste keer was. Ik heb hem vaker zien pinnen maar nu was er iets gebeurd met mijn gevoelstemperatuur.
Het is ook het onverwachte wat het carpe diem-gevoel wegneemt, zoals het onverwachte radiobericht of zo’n ongepast voorstel in een nogal luxe ambiance. Maar het kan je ook gewoon thuis overkomen, een soort huiselijk geweld wat zich dan ineens aandient.
Bijvoorbeeld wanneer er ineens iemand in je achtertuin staat, met een grote heggenschaar. Iemand die je kent. Iemand die je altijd helpt in tijden van grote en kleine noden. En nu jouw boom met verschillende soorten van agressie staat te snoeien. Het enige wat er voor jou nog overblijft, is zo iemand te besluipen en (ik-pluk-jouw-dag!) onverwachts in het oor te tetteren:
Wat zijn we aan het doen?!”
Het voelt allemaal zo onbestaanbaar, een uitdrukking die Peter R. de Vries laatst aan de Nederlandse taal toevoegde. Dus niet een kwestie van gewoonheid, waar Nico Dijkshoorn het over had.
Maar soms is er ook geen kwade opzet in het spel. Laatst werd ik gebeld door iemand die met een professionele stem vroeg of de heer of mevrouw Riemeijer ook thuis was.
“Die zijn er allebei niet,” zei ik snel. Zij wilde daarop meteen ophangen en meldde dat ze wel terug zou bellen.
Een dag later werd ik gebeld door iets met energie en leverancier en ik riep meteen dat ik niet geïnteresseerd was (het was niet mijn carpe diem-dag, die dag).
Waarop ik een klein stemmetje hoorde zeggen:
“Maar u bent onze klant. U bent naar ons overgestapt- en ik wilde vragen of alles goed is verlopen”. O jee, ja, oeps, nee: had ik per ongeluk haar dag geplukt.
Het zit ‘m altijd in die ogenschijnlijk onbelangrijke details (de slaapkamerkast zonder slot, een horeca-vrouw met een vergaande interpretatie op het gebied van de klantvriendelijkheid , een buur met te groene vingers, een voor een klein moment niet luisterend oor).
Het is het in de haast de Hansaplast-plakpleister onder je arm spuiten in plaats van je deodorant (die ernaast staat) of onoplettend de koffie van de persoon naast je opdrinken.
Een dag wordt er niet beter van. En het is duidelijk dat het carpe diem toch echt alleen gedijt onder een bepaalde gevoelstemperatuur. Het is een beetje zoals Bette Midler zong ‘far beneath the bitter snow, lies the seed that whit the sun’s love, in the spring becomes the rose’. Wat warmte en wat tijd, dat is wat het kost om de dag te plukken.

Laten we dus niet meer spreken over carpe diem; pluk de dag.  Zo lang de dag haar ene uur na het andere slaat zijn wij plukkende de dag. Gewoon op elk moment of zelfs twee keer. Bijvoorbeeld voor en na het radiobericht over een woning in Nieuwegein.

 

Getagd , , , , , . Bladwijzer de permalink.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *