Sprookjes voor Volwassenen (2): Het Heksengebrek

Heel erg lang geleden, om precies te zijn in 1545, in een onbekend stadje hier ver vandaan, namelijk Tilbourgh, werd er een meisje geboren die van haar ouders geen naam kreeg. Dat kwam omdat haar ouders zo arm waren, en haar vader was bovendien een zuiplap, dat ze niet voor haar konden zorgen. Dus legden ze haar te grabbel bij de kloosterpoort iets buiten de stad.

Terwijl haar vader zijn plaats innam in de lokale kroeg, verschool haar moeder zich in de bosjes langs de kant van de weg. Ze wachtte tot iemand de baby, die ze zolang in een rieten mandje had gelegd, kwam ophalen.

De eerste dag gebeurde er helemaal niets zodat ze het kind maar weer mee naar huis nam.

De tweede dag kwam er zo’n enge vrouw langs met een bochel en een stok, dat ze het kind snel uit haar armen griste en weer in het mandje voor de poort legde.

De derde dag kwam het geluk in de vorm van een heuse monnik aan haar voorbij; hij nam het mandje met het kind erin onder zijn arm mee onder de poort van het klooster door. En daarna zag ze het nooit meer terug.

In die tijd was het best gebruikelijk dat mensen hun kind ‘te vondeling legden’, zoals dat heet, maar aan de andere kant was het ook een beetje een taboe. De moeder van dit meisje zonder naam, sprak dan ook nooit over haar positie als voormalig vondeldraagster, zoals dat heet, en haar vader, ach, die werd eigenlijk nooit serieus genomen wanneer hij iets zei. En zoals men nu wel spreekt over een ‘afwezige vader’ zo sprak hij over een ‘afwezig kind’ maar iedereen vond het maar dronkemanspraat.

Al met al volgt nu helaas geen sprookje maar het waar gebeurde verhaal over het meisje dat door de monniken in het klooster iets buiten Tilbourgh, Lena werd genoemd.

Lena was een bijdehand meisje met blonde haartjes, een heel klein rood mondje en grote groene kijkers. De monniken leerden haar alles over psalmen en gezangen en de bereiding van trappistenbier. Het één en ander had tot gevolg dat Lena al jong veel wist over mout en hop en al op haar tiende menig monnik onder tafel dronk.

Nu zal daar in deze tijd behoorlijk schande van gesproken worden, van zo’n opvoeding, maar de monniken wisten als geen ander dat hop rustgevend werkt, en de seksuele driften aardig inperkt en binnen deze mannengemeenschap had men toen nog een gezond ontzag voor de vrouwelijk seksuele drift. Lena’s functie van voorproefster had dus behalve een educatief ook een preventief karakter, en, zo dachten de monniken, op deze wijze verlengen wij haar kindertijd. En dat was zeer wijs te noemen aangezien het hele begrip kindertijd geen maatschappelijk fenomeen was in 1545.

Dus behalve dat Lena beroepsmatig, maar ook in haar vrije tijd aardig wat trappistenbier wegwerkte, ontwikkelde zij een leergierige belangstelling voor de werking van kruiden, het brouwen van brouwseltjes en het samenstellen van bepaalde recepturen met een nog onbekende werking. Vanzelfsprekend hadden de monniken geen antwoorden op al haar vragen aangezien hun kennis enkel voorzag in het zingen van gezangen en prevelen van gebeden, en inderdaad, het brouwen van trappistenbier. Van Gelsemium Sempervirens ofwel Jasmijnwinde, hadden ze bijvoorbeeld nog nooit gehoord. En dat werd heel vervelend voor monnik Sebastianus. Hij werd voorgoed van zijn onvrijwillige urineverlies afgeholpen omdat hij, per ongeluk, een overdosis kreeg waarop een ademstilstand volgde waar hij in bleef. Hoewel dit voor de arme Lena een ontzettende klap was bedacht zij dat haar gebrek aan kennis wat hieraan debet was, veroorzaakt werd door de monniken zelf, en niet door haar onnadenkendheid. En zij ging vastberaden op zoek naar geschriften en ander geschrijverij om te bewerkstelligen dat er in de toekomst geen soortgelijke blauw aangelopen gezichten haar pad zouden kruisen, tenzij zij deze kennis moedwillig zou willen aanwenden.

En zo kwam het eigenlijk dat het klooster te klein voor haar werd en zij haar kennis elders wilde zoeken.

Ze werd daarbij geholpen door een speling van het lot. In diezelfde periode namelijk, had een nieuwe monnik zijn toetreding tot het klooster gemaakt en in zijn ijver om zijn proefperiode met glans te doorstaan, had hij zich verdiept in de medicinale werking van hop. Zijn streven was het gebrouwen trappistenbier wellicht van extra reclame te voorzien en tevens, als neveneffect, de status van Lena te ondermijnen. Want dat was hem een doorn in het oog. Deze monnik wist te berde te brengen dat Humulus Lupulus ofwel hop, een gunstige werking had bij in- en doorslaapstoornissen, en daar moesten de monniken vreselijk om lachen want ze stonden erom bekend dat ze zo goed konden slapen. Hij vertelde echter ook dat inperking van seksuele drift niet zozeer het vrouwelijke maar met name het mannelijke gold, en toen verstomde het lachen. Alleen de matige drinkers onder de monniken die toch al plausibele betrekkingen onderhielden met elkaar, gniffelden een beetje. Maar verder was het stil.
De meeste monniken waren in ieder geval aardig aangeslagen en de angst voor de vrouwelijke seksuele drift van Lena laaide vreselijk op. Te meer nu bleek dat hop niet hielp, althans vast nooit in voldoende mate, leek het hen een goed idee haar buiten de poorten te zetten. Ze wilde immers zelf graag de wijde wereld in om haar kruidenkennis te vergroten en het geval Sebastianus had het klooster een dermate onpopulaire naam bezorgd dat men unaniem besloot dat het voor haar eigen bestwil was om maar eens op te stappen.
En zo werd Lena wat bovenmatig geprezen in verband met haar kruidentalent en werd zij, volgens de monniken, op pedagogisch verantwoorde wijze en met een laatste liefdevolle groet buiten de poorten van het klooster gezet om haar weg te zoeken in de grote, wijde wereld. De poorten sloegen achter haar dicht om nooit meer open te gaan en de monniken haalden opgelucht adem. En één monnik in het bijzonder meldde zich aan als voorproever van het trappistenbier.
Lena, nu zeventien lentes jong, bevond zich nu voor de tweede keer in haar leven buiten de kloostermuren. En ze vond het reuze spannend. Vol goede moed en zonder zorgen liep zij het pad af richting Tilbourgh, op zoek naar kennis en vooral wijsheid en de ontsluiering van de geheimen die de kruiden langs de kant van de weg nu nog voor haar hadden. Het was echter lastig iemand te vinden die haar deze kruidengeheimen wilde toevertrouwen, laat staan een geschrift hierover uit handen gaf zodat Lena uit desillusie en wanhoop enigszins aan lager wal raakte. Haar vriendenkring bestond niet echt uit de meest respectabele lui en degenen aan wie zij haar vragen stelde konden niet echt meer het predikaat ‘waardig’ wegdragen. Daarnaast, of dat nu haar gebrek aan hop was of hier een andere factor een rol speelde, bemerkte Lena bepaalde impulsen bij zichzelf die zeer overeen kwamen met wat de monniken wat vaag hadden aangeduid als seksuele drift. En Lena wist wel dat ze hier vreselijk voor op moest passen want dat kon wel eens Gevaarlijk worden; die boodschap hadden de monniken echt wel overgebracht.
En op een avond was het zover.
Ze liep op en zandweg richting Gilze, ook een heel onbekend dorp van heel lang geleden, toen ze een boerenzoon aan het werk zag op het land. Ze zag zijn brede rug glanzen van het zweet en zijn spierballen rollen terwijl hij de bieten uit de grond trok.

“Dat ziet er verrekte lekker uit,” dacht Lena bij zichzelf en haar lichaam vulde zich met allerlei tintelende gevoelens. Ze raakte ook even in verwarring over wie er nu in Gevaar was, zij of hij want dat hadden de monniken er niet bij verteld, en ze wist niet of ze zichzelf nu op hem moest werpen om zichzelf van het Gevaar te verlossen of juist niet en de nietsvermoedende boerenzoon niet aan het Gevaar bloot te stellen. Lena doorstond haar innerlijke strijd tot op zekere hoogte als een dappere soldaat maar niet alle soldaten zijn altijd even alert en die plezierige tintelingen veroverden langzamerhand het hele slagveld.
En op dat moment hoorde ze een krassende, haperende stem achter zich. Geschrokken keek ze achterom en zag de lange, wrattige neus van een oude heks met daarboven kleine, waterige oogjes in een gerimpeld gezicht wat omlijst werd door lang piekend ongewassen haar. Ze droeg een punthoed die zo strak om haar hoofd zat dat het leek of hij vastgegroeid was. En toen de heks haar mond vertrok in een poging bemoedigend te glimlachen, zag Lena dat ze maar drie grote gele tanden had en ze stonk vreselijk.
Maar onder haar rechterarm droeg ze een groot zwart boek. Met een tekening van Gelsemium Sempervirens, ofwel Jasmijnwinde, op de voorkant. De tintelingen in Lena’s lichaam waren als sneeuw voor de zon verdwenen en het enige wat ze voelde was het kloppen van haar hart. In haar keel.
“Ik wil je wel helpen,” sprak de heks langzaam terwijl ze haar oogjes in de groene kijkers van Lena boorde.
“Je mag mijn boek lezen; ik zal je alles leren. Ik zal je zelfs leren hoe je toverdrank maakt van vleermuizen en mos. En hij daar..” en ze wees met haar lange vinger in de richting van de boerenzoon, “hem neem ik wanneer ik een haar van hem heb gekookt, met konijnenogen en Meidoornbloesem en hij niets anders wil dan mij.”
“Waarom Meidoornbloesem?” vroeg Lena.
“Dat is goed voor zijn hart,”sprak de heks.
“En aangezien ik antwoord heb gegeven op jouw vraag,” vervolgde ze, “is het leerproces begonnen en ben je nu mijn leerling maar daar staat wel wat tegenover.”
“Wat staat daar dan tegenover?” vroeg Lena, die de heks niet helemaal kon volgen.
“Allereerst het rood van je mond, dan het groen van je ogen en tot slot de schittering van je haar. Als je een heks wil worden moet je lelijk zijn en anders gaat het feest niet door en vertel ik niks meer over Meidoorn- ofwel Crataegusbloesem, laat staan over vleermuizen en mos en konijnenogen, en die zal je zeker nodig hebben”.

En hierna pakte ze Lena bij haar arm en nam haar mee het bos in. En Lena was zo verbijsterd over de vele pukkels en wratten met haren eruit, die ze van dichtbij erg goed kon zien, dat ze de prachtige boerenzoon met zijn rollende spierballen en brede rug compleet vergeten was.
Maar de heks dacht vaak aan hem. Heel vaak.
Al met al werd het in bepaalde opzichten een nogal onbevredigende geschiedenis. Voor Lena.

Ze trok bij de heks in een leerde werkelijk alles wat er te leren viel over vleermuizen en mos, konijnenogen in Crataegusbloesemsap, het koken van bloed met dennennaalden en eekhoorntjeskraakbeen en het ontrekken van potentiële krachten uit een willekeurige haar, met wortel, met brandnetelsap en pruimenschillen.
Ook kon ze de werking van het kruid Thuja omkeren en wratten maken, ze kon toverdrankjes brouwen waardoor iemand omviel van de slaap zonder dat er trappistenbier aan te pas kwam en ze kon een mengsel maken van oesters, eieren en stierenballen waardoor welke schone jongeman dan ook zich in de schoot wierp van de vrouw die het toediende, wat Lena in de hele regio erg populair maakte.

Het onbevredigende aspect voor Lena zat hem hierin dat de heks voor elke wetenswaardigheid een prijs vroeg. Het licht in haar ogen tegen de vleermuizen en mos, het rood van haar lippen tegen de pruimenschillen bij het brandnetelsap, de glans van haar haren tegen de temperatuur van het bloed bij het toedienen van de dennennaalden. En dan nog die flauwe dingen van twee nagels voor een oester, honderd haren met wortel tegen de plaats van een eekhoorntjesnestje. Hier konden ze dagenlang over kibbelden waarna de heks uiteindelijk haar zin kreeg.
En toen er bijna niets meer van Lena over was behalve een fletse, kleurloze vrouw met kale plekken op haar hoofd net als de heks zelf, wilde de heks moedervlekken uitwisselen en wratten waar haren uitgroeiden en afhangende oogleden ruilen.
En toen het eenmaal zover was had Lena niets meer in de aanbieding voor het ontfutselen van de toverspreuk waarmee ze een haar van iemand kon bemachtigen, met wortel, zonder dat het slachtoffer daar erg in had. Terwijl de heks met ongepaste vrolijkheid het proces doorstond van het afstaan van haar pukkels, bulten en wratten kreeg Lena steeds meer last van jeuk, kriebel en irritatie. Haar haren vielen ervan uit, zomaar helemaal vanzelf, en met ingehouden woede zag ze hoe de heks deze bij elkaar zocht en in een buideltje tussen haar borsten stak.

En toen ging er iets vreselijk mis.

Lena brouwde een liefdeselixer voor een oude man in het dorpje Rijen, wat nu vast niet meer op de kaart staat, die zijn oog had laten vallen op een jonge welgevormde boerendochter die niets van hem weten wou. Hij had een bosje haren uit de borstel van de nietsvermoedende dame meegenomen en, op Lena’s verzoek, rozemarijn uit haar kruidentuin. Dit kookte ze met vossenspeeksel en konijnenbloed maar terwijl ze stond te roeren boven de pruttelende ketel viel het haar weer op hoe de heks er qua uiterlijk op vooruit was gegaan en zich weer bukte om een haar van de grond te rapen. Afgeleid door dit tafereel voegde ze de gemalen rozemarijn toe en dit werd de aanzet tot een vreselijk drama. Geschrokken door de abnormaal donkere kleur van het vocht meende Lena dat er te veel konijnenbloed in zat. Ze voegde meer rozemarijn toe en vossenspeeksel en liet het elixer wat langer doorpruttelen dan normaal zodat het vocht wat indikte en de heks haar fout niet zou ontdekken. Het brouwsel moest, in verband met de duur van het beoogde effect, exact passen in het kannetje wat de oude man had meegebracht. En hoewel er op de kleur uiteindelijk niets aan te merken viel, was het vocht zichtbaar te geconcentreerd. En nog steeds te veel.
En toen besloot Lena het te veel maar zelf door te slikken.
Met als gevolg dat ze zich in eerste instantie al bijna aan de oude man vergreep die zich om onbekende redenen haastig uit de voeten maakte, waarna plotsklaps het beeld van de bieten oogstende boerenzoon uit het niets voor haar geestesoog kwam.

Ze holde naar de heks en eiste het geheim van de haar met de wortel en hoe die te bemachtigen zonder dat iemand daar erg in had. Want Lena was niet op haar achterhoofd gevallen en verwachtte bij de boerenzoon een soortgelijk effect als de oude man had laten zien, zodra zij in zijn blikveld kwam.
De oude heks lachte het gemeenste lachje dat ze had.
“Dat zou je wel willen, kleine feeks”, zei ze
“Mooi niet, ik zeg het niet. Ik ben bijna waar ik wezen moet en het was heus geen pretje om met jou opgescheept te zitten maar je kwam als geroepen, toen, aan de rand van de akker en ik zeg het lekker niet”.
De heks die geen idee had van het mislukte elixer en dat Lena dit noodgedwongen tot zich had genomen kreeg nog niet de tijd om met haar groene kijkers te knipperen toen Lena haar vol vuur en onbekende krachten aanvloog.
“Zeg op, hij is van mij want ik zag hem het eerst!”riep Lena.
“Geen sprake van want ik zag hem eerder dan jij en ik wacht al het langst!”riep de heks.
Deze vreselijke kinderachtige discussie werd nog een tijdje doorgezet terwijl beide heksen over elkaar heen over de grond rolden. En toen ze eindelijk hijgend tegenover elkaar stonden, want ze waren inmiddels even sterk, zei de heks:
“Geef me al je tanden en dan zeg ik het!!”
En Lena, die compleet beneveld was door het liefdeselixer en het beeld van de bieten oogstende jongeman niet meer uit haar hoofd kreeg, en meer dan dat, riep meteen:

“Dat is goed”.

En het volgende moment lachte de oude heks haar allergemeenste lach maar dan met haar nieuwe gebitje. Maar ook Lena lachte haar allergemeenste lach en op één of andere manier zag dat er toch indrukwekkender uit. De heks leek op een bepaalde manier op haar hoede toen ze zei:
“Ik zal het je leren maar het is erg ingewikkeld en als het fout gaat zijn de gevolgen niet te overzien. Ik zal het je voordoen zoals ik je alles heb voorgedaan. En daarna scheiden onze wegen.”
En Lena dacht aan de haren, met wortel, van de bieten oogstende boerenzoon, gekookt met mos en konijnenogen en Meidoornbloesem en de spannende nacht die daarop volgen zou.
En de heks dacht aan exact hetzelfde, maar dan zonder de konijnenogen, de haar, het mos en de Meidoornbloesem. Want de heks was door schade en schande wijs geworden en had geleerd dat een haar te bemachtigen, met wortel, zonder dat de persoon in kwestie dat in de gaten had, één van haar zwakste punten was. Al menigmaal had zij haar liefdeselixer in de beek moeten gooien omdat ze, lopende het proces, haar slachtoffer niet te vlug af was geweest. Dus de heks had het over een andere boeg gegooid, en tot op heden heel succesvol. Dat moet gezegd worden.

En nu de heks eindelijk het gevoel had zich binnen afzienbare tijd op de bieten oogstende boerenzoon te kunnen werpen, was het niet de bedoeling dat daar nog een haar tussenkwam, bij wijze van spreken. Daarbij had de heks tevens het ambitieuze plan opgevat zich met een bepaalde regelmaat op de boerenzoon te werpen, dus was het niet meer dan handig hem te verleiden met de schoonheid van Lena, die zij over zichzelf had uitgeroepen en tegelijkertijd ervoor te zorgen dat Lena geen haar van hem zou bemachtigen.
Dus toen ze halverwege de plaats van het toekomstige misdrijf waren, gaf de heks het boek met Gelsemium Sempervirens erop aan Lena en zei listig:
“Je kan het vast ook zonder mijn hulp. Onderaan bladzijde 367 moet je beginnen met lezen. Ik loop wel vast vooruit”.
“Dat is goed,” zei Lena die het beeld van haar verloren schoonheid nog in zich droeg en zichzelf even onweerstaanbaar achtte als de heks, vooral met het vooruitzicht van de haar met wortel, konijnenogen en Meidoornbloesem, want ze onthield alles wat de heks gezegd had.
“En dan wil hij niets anders dan mij,”herinnerde Lena zichzelf aan de woorden van de heks. Ze ging zitten op een boomstronk aan de rand van de akker en sloeg het boek open op pagina 367. En ze begon te lezen.
De heks vervolgde haar weg langs de akker, met in haar gedachten de rollende spieren van de bieten oogstende boerenzoon en zijn brede, glanzende rug. Ze gooide haar punthoed ver weg het bos in, want die had ze toch niet meer nodig, en schikte haar blonde bos haar. Haar enige probleem was de vraag of ze zich ter plekke op hem zou werpen of dat ze hem zou nemen in de bedstee van de boerderij. Beide mogelijkheden hadden immers hun voor- en nadelen. Maar toen ze hem eindelijk zag terwijl hij met ongekende kracht de bieten uit de grond trok, versnelde ze haar pas en wist ze dat ze zich niet langer dan strikt noodzakelijk kon inhouden. Waarmee het plan van de bedstee van de baan was. En zo kwam het dat de bieten oogstende boerenzoon onverwachts zeer onzedelijk betast werd, van schrik de zanderige biet liet vallen waarna hijzelf in zijn geheel ook in de omgewoelde aarde terecht kwam.
Dat maakte het voor de heks alleen maar spannender en ze stortte zich, volgens planning, nu in haar volle lengte op hem terwijl haar handen hem grepen waar mogelijk.
“Hé hé,” riep de boerenzoon terwijl hij opstond en de rollenbollende heks van zich afschudde.
“De biet’n mot’n van ’t land. Hier he’k gans geen tiet veur”.

Kijk, en daar had de heks helemaal niet op gerekend. Haar onweerstaanbaarheid was blijkbaar een rekbaar begrip. En hoe verleidelijk zijn spieren ook rolden, de boerenzoon dacht aan niets anders dan aan bieten. En dat ze van het land af moesten.
De heks, met haar groene kijkers, blonde haren en prachtige witte tanden zat verbijsterd in het zand.
“Het is toch wat,” mompelde boerenzoon en ging door met zijn werk.
En de heks deed wat een ieder zou doen die op deze onfortuinlijke wijze tussen de bieten terecht zou komen, let wel: zonder heksenpunthoed en toverboek. De heks kon helemaal niets meer en zette het op een schreien. En ze schreidde harder en harder en het klonk alsof ze nooit meer op zou houden en ondertussen sloeg ze met haar vuisten in het zand.
“Ik, die alles voor je over had!!” gilde ze.
“Rattenballetjes geknipt, konijnenoogjes uitgepeuterd, stierenbloed gezogen en vleermuisvleugeltjes geweekt in mijn wang!”
Maar veel verder kwam ze niet want de boerenzoon draaide zich om en zei: “Leluk wief”.
En hij had gelijk. De groene kijkers van de heks waren dik en rood gehuild en de adertjes in haar wangen waren gesprongen en ze had rode vlekken in haar nek.
Onverrichterzake en ontroostbaar stond de heks op, schudde het zand van haar kleren en aanvaarde de bittere terugtocht.

Lena had inmiddels het hele hoofdstuk over het bemachtigen van een haar met wortel, zonder dat het slachtoffer het in de gaten had, doorgenomen. En eerlijk gezegd was ze er niet veel wijzer van geworden. Ze vond dat de heks haar aantekeningen slecht gerangschikt had en het leek wel of ze niet goed had opgelet; er ontbraken hele paragrafen. Vervolgens had ze geschreeuw gehoord en geschrei, en vanuit de top van een oude eik had ze de heks wijdbeens in het zand zien zitten terwijl ze met haar vuisten op de akker sloeg en het zand in het rond vloog. Met enkele meters verderop de prachtige boerenzoon met zijn rollende spieren die in één beweging een biet uit de grond trok. Dit had Lena aan het denken gezet. En toen ze vanuit haar ooghoek de toverpunthoed van de heks zag liggen, dacht ze bij zichzelf: “duizend vleermuizen en addergebroed” en kreeg haar plan een geheel nieuwe wending.

Als eerste verstopte ze zich in een holle boom en wachtte tot de heks snotterend en sniffend en toverspreuken prevelend voorbij kwam. Het was haar meteen duidelijk dat de heks haar toverkracht was verloren want ze hadden geen enkel effect meer.
Ten tweede sloop ze naar de rand van de akker en riep toen de boerenzoon.
De arme jongen was toch wel behoorlijk van slag geraakt door het voorval en was eigenlijk blij even met iemand te kunnen praten. En van veraf was niet zo goed te zien hoe lelijk Lena was. Begrijpelijkerwijze bleef hij op gepaste afstand staan en voor hij bang kon worden voor een herhaling van het voorgaande, prees Lena zijn bieten oogstende activiteiten en bood hem een trappistenbiertje aan voor na het zware werk. Dat liet de boerenzoon zich geen twee keer zeggen.

En zo belandde ze die avond met de boerenzoon in de kroeg waarna ze hem compleet onder tafel dronk. Met bovenmenselijke toverkracht droeg ze hem terug naar de boerderij waar ze hem met gemak in de bedstee legde en een hele bos haar, met wortels, uit zijn hoofd trok terwijl hij genoeglijk doorsnurkte.
Daarna verliet ze het erf.
En onderweg, in het pikkedonker, plukte ze hele bossen Gelsemium Sempervirens ofwel Jasmijnwinde, rukte ze de Meidoornbloesems van de bomen en pulkte bij vier konijnen de oogjes eruit. Zwaar beladen kwam ze aan bij de hut die ze deelde met de heks die uitgeput bij het dovende kampvuurtje zat.
“Daar ben ik weer,” sprak Lena en de heks hief machteloos haar handen ten hemel.
En Lena stookte het vuur op en hing de ketel erboven.

Ze liet de Meidoornbloesems en de konijnenoogjes pruttelen in het bloed van een uitgeknepen patrijs. En daarna kookte ze de haren van de boerenzoon tien minuten mee terwijl ze flink roerde.
“Ik ga het nest in,” snikte de heks die niet meer in Lena’ s buurt durfde te komen zolang zij de toverpunthoed op had. En de heks kon natuurlijk op haar vingers met de mooie nagels natellen dat er een represaille maatregel in de lucht hing.
En zo geschiedde.

Behalve een liefdeselixer maakte Lena een drabje van Gelsemium Sempervirens, tegen onvrijwillig urineverlies (ongeveer het enige waar de heks géén last van had). Ze deed het op exact dezelfde wijze als voor monnik Sebastianus.
En na enig geworstel met de heks sliep ze in om nooit meer wakker te worden en vervielen één voor één haar toverspreuken. In de ochtendschemering wandelde Lena, met een kan vol liefdeselixer, met haar groene kijkers en rode mondje en een bos blond haar, wederom het pad naar de akker af.
Gezien het doorslaapeffect van de hop duurde het erg lang voor de boerenzoon wakker werd en Lena hem, hoegenaamd namens de dame van gisteren, een versterkend drankje aanbood tegen hoofdpijn en aanverwante zaken. Hoewel de boerenzoon erg schrok omdat de herinnering aan de vorige dag nog erg vers was, was hij te lam om uit de bedstee te springen. En voor hij het wist zette zij de kan al aan zijn mond. En na twee slokken sprong de boerenzoon vol vuur overeind en gaf haar een overweldigende kus op haar rode mondje. Hij pakte haar bij haar schouders en hield haar een eindje van zich af terwijl hij in haar groene kijkers keek.
“De biet’n!”, riep hij toen en oogstte die dag bijna het hele veld. En toen ging hij naar de kroeg om trappistenbier te drinken.
En Lena zat in de bedstee met haar benen bungelend over de rand. En toen zette ze haar heksenpunthoed af en verstopte het boek met Gelsemium Sempervirens, ofwel Jasmijnwinde, voorop.
Want ze vond het niet leuk meer om heks te zijn en van alles te weten over kruiden want uiteindelijk hielp het allemaal niets.
De boerenzoon oogstte het ene bietenveld na het andere, en dronk het ene trappistenbiertje na het andere.
En Lena keek naar zijn rollende spieren en zijn glanzende brede rug.

En bedacht dat de monnik in het klooster inderdaad gelijk had.

 

 

Getagd , , , , . Bladwijzer de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *