Sprookjes voor Volwassenen (3): Madeliefje en Flikflak

Heel erg lang geleden, in een heel groot bos ver hier vandaan woonde een houthakker met zijn vrouw en zijn zestien kinderen. De houthakker wist ook wel dat niet al deze kinderen uit zijn hout gesneden waren, maar de houthakker was een hardwerkende, warme man en nam zijn vaderschap ruimhartig op zich.Maar op een dag, het was de vierde woensdag van de maand want zijn vrouw was boodschappen aan het doen in het dorp, kwam er een afgezant van de koning, op een groot zwart paard.
“Houthakker,”sprak hij, “Leen mij voor een moment uw oor, zodat ik u de koninklijke boodschap kan influisteren”.
De houthakker hield op met het hakken van hout en hoorde met stijgende verbazing de gefluisterde woorden van de afgezant aan. Toen riep hij alle zestien kinderen bijéén en zette ze in volgorde van grootte naast elkaar.
“Een ogenblik geduld, alstublieft,” zei hij tegen de afgezant en liep de rij kinderen langs terwijl hij ze stuk voor stuk diep in de ogen keek. Vervolgens noemde hij de namen van die kinderen waarvan hij vond dat ze toch wel erg veel op hem leken. En deze kinderen stuurde hij subiet het bos in om bramen te zoeken. De overige kinderen, toch nog een stuk of acht, bleven bedremmeld staan, veegden hun snotneuzen af en staarden naar de houthakker en de afgezant zonder een woord te zeggen. De afgezant gebaarde naar de grootsten van de acht dat ook zij hun dagelijkse portie bramen konden gaan plukken en reed naderbij om het overgebleven groepje van vier van dichtbij te bekijken.
“Zoek er maar één uit,” zei de houthakker, en diep in zijn hart hoopte hij dat de afgezant de kleine Bart zou kiezen want die leek toch wel heel erg op kroegbaas Roel uit het dorp waar zijn vrouw boodschappen deed.
De afgezant keurde Bart echter geen blik waardig; zijn oog viel op Madeliefje en hij wees haar aan. Nu was het zo dat zijn vrouw altijd bijzonder dol was op Madeliefje, meer nog dan op de kleine Bart, zodat hij zichzelf eigenlijk een beetje had wijs gemaakt dat ze misschien toch wel uit zijn hout gesneden was. Ze was alleen zo’n dromerig, in zichzelf gekeerd kind dat ze hem sterk deed denken aan Thijs, de kluizenaar die halverwege het dorp in een boomhut woonde. Maar enfin, de afgezant wees Madelief aan die met haar popje Flikflak onder haar arm en haar duim in de mond op haar beurt de afgezant aanschouwde, en, bedacht de houthakker, één meer of minder was hem nooit als problematisch voorgekomen. Hij knikte naar de afgezant, plantte Madelief met Flikflak voor hem op het grote, zwarte paard en zei:
“Neem haar maar mee en veel succes”.
En zo kwam het dat toen de houthakkersvrouw thuis kwam er nog maar vijftien kinderen waren. De houthakker deed het verhaal en zijn vrouw werd zo onbegrijpelijk kwaad, onbegrijpelijk want nummer zestien-twee was alweer onderweg, dat hij van schrik het bos in vluchtte. Toen hij na drie dagen terug kwam was zijn vrouw verdwenen. En er waren nog maar acht kinderen over.

En zo kwam het dat Madeliefje en Flikflak opgroeiden in het kasteel van de koning in het grote, donkere bos. Dat was wel even wennen. Want Madelief was gewend om te ravotten en haar handjes open te halen aan de scherpe doornen van de bramenstruiken. Maar nu werd ze in satijnen jurkjes gehesen, en werden er krulletjes in haar haren gezet en had ze handschoentjes aan en ze leek precies op de koningin, maar dan in het klein. En elke dag las de koningin haar voor uit een groot boek met plaatjes en keek ze toe hoe de koningin kruissteekjes maakte met gouddraad op een grote, witte lap stof. En de koningin glimlachte naar haar en probeerde met een piepstemmetje Flikflak na te doen; maar het hielp niet.
Hoewel Madeliefje het groene bos en de zoete bramen snel vergeten was en ook de herinnering aan de houthakker en zijn vrouw vervaagde, zei ze geen woord.
En als ze pijn had, gaf ze geen kik.
En als ze blij was, lachten alleen haar ogen.
En ze droeg Flikflak onder haar arm, waar ze ook naar toeging.
Trouwens, Flikflak had helemaal geen piepstemmetje. Flikflak had een lage fluisterstem en hij stotterde een beetje. Want elke nacht tikte hij Madeliefje uit haar slaap en zei:
“Donkere manen in de zonneschijn
Geroffel van zwarte voeten
Wie nam mijn p-p-poppedijn?
En wie zal daarvoor boeten?”
Madeliefje groeide groter en groter en leerde spinnen met het spinnewiel en lezen uit het grote boek met de plaatjes en sierlijke letters schrijven. Ook kon ze piepkleine kruissteekjes maken met gouddraad op een grote, witte lap stof. De koning en de koningin namen haar mee naar feesten en partijen waar ze leerde dansen en wijn drinken uit kristallen glazen met haar pink omhoog. En iedereen boog voor haar en de mannen zwaaiden hun hoed met een groots gebaar van hun hoofd wanneer zij langs kwam. De mensen zeiden “Prinses Madelief” tegen haar, maar ze zei nooit wat terug.
Op een dag riep de koning haar bij zich en zijn toon was zwaar en donker vanwege de gewichtige zaak die hij te bespreken had. De koningin zat er ook bij en ze draaide met haar vinger in haar pijpenkrullen en ze keek niet vrolijk. Madeliefje kneep Flikflak bijna fijn onder haar arm. Niet alleen vanwege de zware toon van de koning, maar ook omdat ze hem bijna nooit zag. De koning deed vaak mee aan de oorlog en was daarom veel van huis, en als hij thuis was droeg hij zijn harnas en helm waardoor ze hem eigenlijk alleen herkende aan de grote rode pluim die aan zijn helm vastzat en zijn met bont afgezette mantel.
Maar nu was de koning in vrijetijdskleding en keek ze in zijn strenge bebaarde gezicht met grote bakkebaarden aan de zijkanten.
“Madelief,” begon hij, en de koningin kuchte.
Daarna schraapte hij zijn keel en zei dat er een huwelijkskandidaat moest komen omdat Madelief al bijna achttien was.
Dat was een beetje een anticlimax want in het grote boek stonden vele plaatjes van knappe prinsen die prinsessen kusten en draken versloegen voor de ingang van een grot. En altijd stond er aan het eind dat ze nog lang en gelukkig leefden, en aangezien Madelief zelf een prinses was leek het haar reuze spannend zo’n prins voor haarzelf te hebben en ermee te kussen wanneer hij een draak verslagen had. Dus ze knikte ter bevestiging en de koningin pinkte een traantje weg.
“Goed,” vervolgde de koning met een nog zwaardere toon.
“In plaats van Flikflak dus een prins aan je arm. Dat is geregeld.”
Madeliefje schudde haar hoofd. Had ze dat wel goed verstaan? Zei de koning daarnet ‘in plaats van’ ? Met grote, vragende ogen keek ze naar de koningin maar die snoot net haar neus in een kanten zakdoekje. En de koning beende op haar af en trok aan de arm van Flikflak, en Madelief trok aan zijn been. En de koning trok aan de andere arm, en Madelief trok aan zijn andere been.
En Flikflak keek de koning aan, en zei:
“Donkere manen in de zonneschijn
Geroffel van zwarte voeten
Wie nam mijn p-p-poppedijn?
En wie zal daarvoor boeten?”

Van schrik liet de koning Flikflak los. En ook de koningin vergat haar neus te snuiten en allebei keken ze naar Flikflak, veilig onder de arm van Madelief, naar zijn bungelende hoofdje en zijn zwaaiende armpje wat nog maar met een paar steekjes aan zijn rompje vast zat.
De hele toestand resulteerde in een grote ruzie tussen de koning en de koningin. De koningin bleef snikken en haar neus snuiten en ze gooide een kristallen vaas naar het hoofd van de koning die hem nog net kon ontwijken. De koning zelf liep stampvoetend door het kasteel en schreeuwde rauwe bevelen. Madeliefje mocht het kasteel niet meer verlaten en werd opgesloten in haar torenkamer terwijl twee schildwachten hun degens gekruist hielden voor haar deur. Flikflak zat in de stoel naast haar hemelbed en keek geniepig in het rond. Hij was kwaad vanwege zijn armpje en hij keek zelfs Madeliefje boos aan terwijl hij zijn versje bleef herhalen.
“Donkere manen in de z-z-zonneschijn
Geroffel van zwarte v-v-voeten
Wie nam mijn p-p-poppedijn?
En w-w-wie zal daarvoor boeten?”

Madeliefje kon wel merken dat Flikflak erg aangeslagen was en aangezien hij haar beste vriendje was, besloot ze een list te verzinnen. Dat was alleen makkelijker gezegd dan gedaan. Ze wilde nog steeds wel met een knappe prins trouwen, die een groot wild paard wist te berijden met een blinkend zwaard aan zijn zij. En die lelijke padden durfde te kussen, waar Madeliefje zelf niet aan moest denken, en dan nog lang en gelukkig ging leven terwijl hij net goede ervaringen had opgedaan met het kussen van een pad.

Het werd tijd om heel diep na te denken, want hoezeer ze ook van Flikflak hield, ze wou ook haar toekomstige prins niet kwijt. Maar na een week was ze er nog niet uit en Flikflak begon steeds meer te stotteren en steeds geniepiger uit zijn oogjes te kijken en zijn fluisterstem was verandert in een vastberaden bariton. En na die zeven lange dagen en zeven lange nachten waarin Madeliefje amper sliep, werd ze opnieuw bij de koning en de koningin geroepen. En ze nam Flikflak weer mee, onder haar arm.
En ditmaal sprak de koningin.
“Liefje,” want ze noemde Madeliefje altijd ‘Liefje’, “we zijn ernstig teleurgesteld in het feit dat je toch kan praten maar dit nooit hebt laten merken. Dat doet ons heel, veel verdriet.”
Madeliefje keek naar de koning, maar die zag er helemaal niet verdrietig uit. Die zag er juist reuze boos uit!
“En daarom hebben we besloten,” vervolgde de koningin, “dat het voor iedereen het beste is dat…”
En toen begon de koningin weer onbedaarlijk te snikken en haar neus te snuiten in haar zelf geborduurde zakdoekje en keek Madeliefje in het boze gezicht, met de grote bakkebaarden, van de koning.
“Het is niet anders,” sprak de koning met boze ogen en een frons tussen zijn wenkbrauwen.
“Het huwelijk kan geen doorgang vinden want geen prins trouwt met een houthakkersdochter. Het sprookje is uit”.
Madeliefje keek van de koning naar de koningin naar Flikflak. Maar Flikflak zei helemaal niets en liet zijn hoofdje bungelen en zijn armpje zwaaien. En Madeliefje trok haar vragende gezichtje, waar de koningin altijd antwoord op had gegeven maar de koning knipte met zijn vingers en de schildwachten pakten haar onder haar armen en sleepten haar en Flikflak de troonzaal uit naar haar torenkamer. De hofdames die haar altijd wasten en verzorgden en haar in haar satijnen jurken hijsten, dezelfde als die van de koningin, kleden haar uit en haalden de krullen uit haar haren. Ze moest het kasteel verlaten, op orders van de koning, werd haar gezegd. En ze mocht maar één ding meenemen, zeiden de hofdames terwijl ze haar een oude, afgedragen jurk in vale kleuren gaven.
“Flikflak,” zei Madeliefje. En dat was de eerste keer dat ze sprak.

Pas toen het heel erg laat en donker was, en midden in de nacht, gingen de kasteeldeuren open en werd Madeliefje, met Flikflak onder haar arm, buiten de poort gezet. De grote deuren sloegen achter haar dicht en de schildwacht prikte haar met zijn lans zodat ze omviel en in de kasteelgracht belandde. En terwijl ze naar de kant zwom verloor ze Flikflak onder haar arm vandaan en klom ze nat en doorweekt en zonder Flikflak op de kant. En omdat ze nu wist dat ze het woord ‘Flikflak’ kon zeggen, riep ze hem wel duizend keer. Maar hij kwam niet. Misschien kon Flikflak niet zwemmen. Misschien was hij verdronken.
Madeliefje wachtte en wachtte. En toen het licht begon te worden rolden de tranen over haar wangen en vervolgde ze alleen haar weg. En ze dacht aan wat Flikflak gezegd had:
“Donkere manen in de zonneschijn
Geroffel van zwarte voeten
Wie nam mijn poppedijn?
En wie zal daarvoor boeten?”

En ze begreep dat ze zonder haar satijnen jurken en haar pijpenkrullen niet op de koningin leek. En ze begreep dat de koning haar meegenomen had uit haar tuin van bramenstruiken. En ze snapte dat Flikflak zo boos was geworden. En ze herhaalde in haar hoofd de woorden van de koning:
“….want geen prins trouwt met een houthakkersdochter”.
Ze was dus een houthakkersdochter.
Maar ze kon haar prins, die een draak kon verslaan voor een grot en een pad kuste zonder misselijk te worden maar daarna nog lang en gelukkig leefde, niet opgegeven. Maar, bedacht ze, om de inmiddels dolende geest van Flikflak in ere te houden, zou ze haar koning-vader laten boeten en omdat dit haar terugkeer naar het kasteel inhield zou ze ter plekke tevens de prinskwestie naar tevredenheid kunnen oplossen. Maar nu eerst zat er niets anders op dan haar houthakkersvader, en houthakkersmoeder, te zoeken om zich te kunnen warmen aan huid en haard. En misschien had ze ook nog wel een broertje of een zusje. Wat haar een verademing leek na het zeer zeker trouwe gezelschap van Flikflak maar zijn woordenschat was niet zo groot en ze was het beu om wakker getikt te worden.

En zo vervolgde Madeliefje haar weg, door de velden en de bossen, over landwegen en langs akkers. En overal waar ze kwam vroeg ze naar de houthakkersfamilie die in een ver verleden een meisje waren verloren met een pop onder haar arm die Flikflak heette. Maar niemand had ooit van hen gehoord. En iedereen wees een andere richting aan, naar iemand die haar vast wel zou kunnen helpen. En het hielp allemaal niets.
Tot ze op een ochtend, en ze had haar hoop al bijna opgegeven en ze mistte Flikflak meer dan verschrikkelijk, ineens een stem boven haar hoorde. Het was niet echt de stem van een engel maar hij leek een beetje op die van Flikflak, zeker voordat die veranderde in een bariton. Madeliefje sprong op en riep: “Flikflak!!”, maar alles wat ze zag was een oude man met een lange baard en hele dunne armen die in een op instorten staande boomhut woonde.
“Flikflak?” vroeg de man, die zich voorstelde als Thijs en vermeldde dat hij uit overtuiging eigenlijk nooit praatte maar droomde.
Madeliefje stond op en zei:
“Donkere manen in de zonneschijn
Geroffel van zwarte voeten
Wie nam mijn poppedijn?
En wie zal daarvoor boeten?”

De oude man staarde haar aan en na een bedenktijd die eeuwen leek te duren strekte hij zijn lange dunne arm in de richting van het bos. En hij wees met zijn lange dunne vinger.
“Daar vind je alle hout die je nodig hebt.”
En Madeliefje begon te lopen, het grote donkere bos in waar de wegen soms helemaal dichtgegroeid waren en ze het pad amper kon zien. Ze liep drie dagen en drie nachten en toen werd ze wakker onder een bramenstruik. En terwijl ze wakker werd en haar ogen uitwreef leek het net of het nog steeds nacht was. Maar dat kwam omdat er voor haar een enorm groot zwart paard stond, met een grote man erop met een blinkend zwaard langs zijn zijde. En vanachter de nek van dit grote paard bungelde een hoofdje en zwaaide een armpje.
“Donkere manen in de z-zonneschijn
Geroffel van z-zwarte voeten”
“Nu weet ik het wel een keer!!”riep Madeliefje die nog niet helemaal ontwaakt was.
“Wie nam mijn poppedijn!
En wie zal daarvoor boeten!”
De afgezant van de koning klemde Flikflak onder zijn arm en zijn paard brieste luid.
“Mijn allerliefste poppedijn,
Mijn opdracht viel mij zwaar
Mijn vaderhart doet mij immer pijn
Maar ik moest het doen, vandaar”.

En met een grote boog gooide hij Flikflak naar haar toe, die jammerlijk net met zijn verkeerde armpje in de struiken bleef hangen. Maar liefdevol ontdeed Madeliefje hem van zijn doornen en kuste zijn bungelende hoofdje. En net zoals in het verhaal uit het grote boek met de plaatjes, veranderde hij in een prachtige prins maar dan met één lamme arm. Maar hij kon wel geweldig kussen en ze leefden nog lang en gelukkig.

 

 

Tagged , , , , , , .Voeg toe aan je favorieten: permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *