Sprookjes voor Volwassenen (4) De Moeder en de Grote, Boze Wolf

“Ik heb hier nog wat oude spulletjes uit het rommelkamertje,” zegt Moeder.
“Waar het licht uit is?”, vraagt Roodkapje.
“Ja, waar het licht uit is,” zegt Moeder.
“Ik heb ze allemaal in deze mand gedaan. Wil jij ze naar Grootmoeder brengen? Ik geloof niet dat ik er verder iets mee doe”.
Moeder zet de mand met de spulletjes met een grote boerenbontenzakdoek erover, op de keukentafel. Roodkapje heeft er eigenlijk niet zoveel zin in. Ze vindt het niet zo fijn om door het bos te lopen. En van Moeder mag ze ook nooit bloemetjes plukken terwijl ze dat juist zo leuk vindt.
“Loop je wel in één stuk door? Wel op het pad blijven, hoor.”
Zie je wel. Daar begint het al. De bloemetjes staan altijd naast het pad. En Roodkapje vindt het leuk om bloemetjes te plukken.
“Kom, doe je rode jasje maar aan, het is koud buiten. Daar zit tenminste een mutsje op”.
En dan moet ze zeker weer voor het donker terug zijn……….
“Wel doorlopen en niet te lang bij Grootmoeder blijven, hoor. Voor donker thuis zijn”.
Want er kunnen allemaal gevaarlijke dingen gebeuren.
“Want als het donker is, wordt de Wolf wakker. Pas op want het is een hele gevaarlijke Wolf”.
Zie je wel.
Moeder pakt het rode jasje van de kapstok en Roodkapje steekt haar armen in de mouwtjes. Daarna geeft Moeder de mand met de spulletjes waar ze toch niets meer mee doet. Wat een zware mand! Moeder kust Roodkapje op haar wangen en aait met haar handen over haar gezicht.
“Ik kan je wel opeten,” lacht Moeder.
“Doe je de groetjes aan Grootmoeder?”vraagt ze.
“Ja dat zal ik doen,” belooft Roodkapje.
En stiekem bedenkt ze dat ze misschien toch wel bloemetjes kan plukken. Het is vast niet zo snel donker als Moeder denkt.

Roodkapje loopt op het pad door het bos naar Grootmoeder, de mand tegen haar tengere lijfje gedrukt. Ze denkt aan Grootmoeder want Grootmoeder ligt de laatste tijd veel in bed. Waar kwam dat ook weer van, wat had Moeder daar ook weer over gezegd?
‘Aftakelen’ had Moeder daarover gezegd, dat was het. En wanneer Moeder dat zei dan kreeg ze ineens heel veel rimpels in haar gezicht, net of Moeder ineens veel ouder was. Dat zag er best grappig uit.

Roodkapje tilt de mand met het handvat tegen haar kin en loopt vastberaden door. Ze kijkt naar de bloemetjes langs de kant van de weg. Er zijn blauwe, paarse en gele. En bij sommige blaadjes lijkt het net of er olie opzit, zo glimmen ze. Maar ze mag niet stilstaan of ze plukken, heeft Moeder gezegd. En Roodkapje wil Moeder blij maken en de mand, voor donker, terugbrengen. En dan met Moeder warme chocolademelk drinken. En daarna zal Moeder haar een verhaaltje voorlezen. En dan heeft Moeder hele mooie, gladde wangen die glimmen in het kaarslicht.

De bomen hebben helemaal niet gezien dat er een pad is en hun wortels lopen er dwars doorheen. Roodkapje is al bijna drie keer gestruikeld en ze vraagt zich af of dat komt doordat zij de mand onhandig vasthoudt. Ze zet hem neer en gaat even zitten. Op het pad, zoals Moeder gezegd heeft, alleen haar billen steken in het gras. Als ze achterover gaat liggen en haar arm uitstrekt, kan ze bijna een bloem plukken. Een paarse. Een paarse Koekoeksbloem. Moeder zal het vast niet erg vinden wanneer ze zich nu op haar buik draait en iets opschuift, om de bloem te pakken. Nu is ze wel van het pad af, maar het is maar voor even. Ze heeft hem! Als ze nu de andere drie Koekoeksbloemenzusjes plukt, heeft ze een prachtig bosje voor Moeder als ze weer thuis komt! Ze staat op en plukt ze alledrie. En de vierde. En de vijfde is eigenlijk nog voller en nog mooier. Ze plukt er zeven. Dan loopt ze terug en steekt haar bosje tussen de mand en het handvat. Maar nu kan ze de mand niet meer tillen zonder het bosje te verpletteren met haar arm. Ze legt het bosje naast haar neer en haalt de boerenbontenzakdoek van de mand. Wat heeft Moeder erin gedaan, wat zo zwaar is, en wat eruit kan, zodat het bosje koekoeksbloemen mee heen en terug kan?

Spiegels. De mand zit vol spiegels, waar Moeder toch niets meer mee doet. Ze zijn eivormig, met een gouden handvat. Moeder heeft uit het rommelkamertje, zonder licht, alle handspiegels in de mand gedaan. Wel zestien. Moeten die allemaal naar Grootmoeder? Waarvoor heeft Grootmoeder die allemaal nodig? Roodkapje begrijpt er niets van en haalt een spiegel uit de mand om erin te kijken. Hij is een beetje vies en het goud is dof. Ze kijkt naar haar ogen, haar mond. En als ze de spiegel beweegt, ziet de omgeving achter haar en kan ze naar de overzijde van het pad kijken.
En daar ziet ze ineens de Wolf tussen de grassprieten.
Maakt het de spiegel niet uit of het licht of donker is?
“Hallo Wolf,” zegt Roodkapje.
“Ik dacht dat ik jou alleen kon zien als het donker was; maar het is nog licht!”.
En ze draait de spiegel.
“Maar ik ben er altijd,” hoort ze de Wolf zeggen.
“Ik ben er altijd wanneer het sluimert. En het sluimert altijd!”
“Maar als het donker is, sluimert het vast meer,” zegt Roodkapje.
“Dat is waar,”zegt de Wolf.
Roodkapje draait hem weer in haar vizier. Hij heeft mooie grote oren en zijn grijze ogen staan schuin afgebeeld in zijn gezicht.
“Ik kan jou zien,”zegt ze.
“Ik jou ook, “zegt de Wolf, “maar ik zie jou, zonder spiegel”.

Wanneer Roodkapje zich omdraait, ziet ze het gras en de bomen. Maar geen Wolf meer. Ze pakt de mand op en loopt snel verder. De boerenbontenzakdoek is blijven liggen. En die spiegel ook. Ze loopt door om op tijd bij Grootmoeder te zijn. En hoewel de Wolf er eigenlijk heel mooi uitzag en heel vriendelijk was, denkt ze aan Moeder:
“Pas op!”.
Ze past op; ze zet de mand pas weer neer wanneer ze hem echt niet meer kan tillen. En terwijl ze uitrust kan ze het niet laten om nóg een keer een spiegel te pakken.
“Dag,” zegt de Wolf, “dat had je niet gedacht, hè, dat ik er ook weer zou zijn.”
Roodkapje kijkt in de spiegel en ziet de Wolf achter haar op het pad staan. Zijn vacht is dof en zijn haren zijn vuil. Aan zijn bek hangt slijm in lange draden. Zijn achterhand zit vol modder.
“Ik weet niet,” zegt Roodkapje, “of ik zoveel zin heb om in deze spiegel te kijken”.
“Nee, dat zal wel weer niet,” zegt de Wolf.
“En ik ben nu nog in mijn goede doen.”
Roodkapje trekt onwillekeurig haar cape om haar heen. En voelt een natte moddervlek op de plaats waar ze in het gras heeft gezeten. Deze spiegel wil ze niet aan Grootmoeder geven. Ze laat hem achter tussen de bloemen langs het pad vervolgt haar weg.

Het is best een gek idee dat Moeder allemaal spiegels aan Grootmoeder geeft. En van de bos Koekoeksbloemen heeft ze al één tak weg moeten gooien. Al lopende, heeft ze toch weer een spiegel uit de mand gepakt en ze kijkt naar de zwart omrande binnenkant. En dan kijkt ze in de spiegel zelf. Er zit een barst in.
Meteen ziet ze de Wolf vlak achter haar. Er is geronnen bloed naast zijn bek en ook in zijn borsthaar ziet ze bloed. De Wolf gromt.
“Waarom laat je me je bloed zien? Ik wil bloemen plukken voor mijn Moeder!”, roept ze in verwarring. De Wolf ontbloot zijn tanden.
“Wil je niet dat ik bloemen pluk? En wat is daar dan op tegen?”
De Wolf draait zich om. Ze wil de spiegel weer in de mand stoppen maar ze is boos en schaaft haar hand aan de kapotte spiegel. Ze likt het bloed van haar vingers en wanneer ze omkijkt is de Wolf is verdwenen. De spiegel valt in het gras en, met haar gewonde vinger in haar mond, pakt ze nog één andere spiegel om achter haar te kijken. Ze ziet de Wolf, ver achter haar. Zijn mondhoeken staan omhoog, alsof hij lacht en zijn tong hangt naast zijn bek. Dan gooit hij zijn hoofd achterover. En huilt.

Het is schemerig geworden. Ze moet nu opschieten, want het donker kan snel invallen en dan moet ze al weer thuis zijn. Ze legt de bos koekoeksbloemen naast de mand pakt de spiegels uit de mand. Ze kijkt in alle spiegels. En ze ziet alle gezichten van de Wolf. Zijn schuine ogen met de heldere blik. Het bloed aan zijn hoektanden. Zijn opgetrokken bovenlip; als hij echt heel kwaad is. Zijn staart als een waaier omhoog, of tussen zijn poten. Zijn oren, recht vooruit. Zijn frons, wanneer hij zorgelijk slapen gaat.
Net als Moeder. Wanneer ze zegt:
“Aftakelen.”

Roodkapje loopt door, op het pad, zoals Moeder gezegd heeft. Haastig, zonder om te kijken. Ze wil snel naar Grootmoeder toe, ze wil voor het donker weer thuis zijn. En ze vraagt zich af: waarom brengt Moeder deze spiegels niet zelf? Waarom wil Moeder de Wolf aan Grootmoeder laten zien? Want wat doet er ze zelf dan niet meer mee? Roodkapje begrijpt het niet.
Ze heeft het allerkleinste spiegeltje verborgen onder haar rode jasje. Misschien voor Moeder, als ze spijt krijgt omdat ze alle spiegels heeft weggegeven. Misschien voor haarzelf, voor wanneer ze naar de Wolf wil kijken. Ze weet het nog niet.
Maar nu moet ze heel snel doorlopen, en gelukkig ziet ze het huisje al.

Het lijkt wel of Grootmoeder niet eens thuis is, alle lichten zijn uit. Roodkapje kijkt door het raam, klopt op de deur en roept haar. Maar Grootmoeder zegt niets terug.
“Grootmoeder! Waar ben je nou?”, roept ze.
Misschien is er wel iets met Grootmoeder aan de hand. Misschien komt het door het aftakelen, wat Grootmoeder de laatste tijd vaak doet. Waar Moeder rimpels van krijgt. De Wolf heeft ook rimpels. En nu heeft Roodkapje zelf ook een rimpel; een recht streepje tussen haar wenkbrauwen.
Ze roept Grootmoeder nòg een keer en duwt dan heel hard tegen de deur. Hij vliegt open en ze kan naar binnen. Grootmoeder is niet in de keuken. Ze zit ook niet op haar stoel. En ook niet op de wc. Misschien ligt ze in bed, bedenkt Roodkapje, vanwege het aftakelen.
Ze zet haar mand op de grond en slaat de luiken van de bedstee open.
“Maar dat màg helemaal niet!!!” roept ze boos.

“Verdorie,” zegt de Wolf tegen het meisje met het rode mutsje op haar rug.
“Denk je dat ik hier voor mijn lol lig, met dit kanten kapje om mijn kop. Mijn oren steken er allerbelabberdst uit”.
“Ja dat zie ik. Wat zijn ze groot. Mooi hoor.”
De Wolf is even stil.
“Dit is de verfrommelde versie.”zegt hij. “Ik hoopte op zijn minst toch enige indruk te maken. Vind je niet dat ik grote ogen heb?”
“Nou, valt wel mee. Dat kant zit er ook een beetje voor.”
“Wat vind je dan van mijn tanden? Vind je die dan niet erg uit de kluiten gewassen?”
“Je lijkt mijn Grootmoeder wel. Ik moet ook altijd naar haar tanden kijken. Naar de vlekken in haar gezicht. En of haar huid van kleur is veranderd. ”
“Luister eens, kleine snotneus, ik sta nog altijd wel bekend als de Grote Boze Wolf. Onthoudt dat goed.”
“Daar merk ik dan vrij weinig van,”verzucht Roodkapje, want ze is een beetje moe geworden.
“Dat komt omdat ik hier zo ongemakkelijk lig. Ik heb ook de slaapjurk van je Grootmoeder aan, vandaar”.
“Dat heet een nachtjapon.”
“Wat kom je me brengen?”
“Waarom lig jij eigenlijk in Grootmoeder’s bed, in haar nachtpon en met haar kanten slaapmuts op?”wil Roodkapje weten.
“Wat zit er in je mandje?”vraagt de Wolf.
“Waar is Grootmoeder eigenlijk?”
“Een antwoord voor een vraag. En anders speel ik niet meer mee.”
“Goed. Ik kom spulletjes brengen. Nu jij”.
“Omdat ik je wel op kan eten,”zegt de Wolf.
“Dat zegt Moeder ook altijd!” lacht Roodkapje.
“Nu ben ik weer, “zegt de Wolf, “Jij moet vertellen wat er in je mandje zit.”
“Spiegels! Allemaal spiegels voor Grootmoeder want Moeder doet er toch niets meer mee.”
Ze haalt er één uit het mandje en geeft hem aan de Wolf.
“Kijk maar.”
De Wolf kijkt in de spiegel. Hij draait de spiegel heen en weer en Roodkapje wacht gespannen af. Dan draait hij zich naar haar toe waardoor het kanten mutsje verschuift en Roodkapje maar één oog duidelijk kan zien.
“Nu ben jij weer, “zegt de Wolf en geeft haar de spiegel terug.
“Kijk maar,” zegt de Wolf. Hij zucht. Roodkapje kijkt in de spiegel.
“Ik zie Grootmoeder!”
De Wolf schraapt zijn keel en kucht een beetje. Roodkapje kijkt in de spiegel naar haar Grootmoeder. Ze draait het handvat heen en weer en ziet Grootmoeder met haar hangende wangen en de pukkel op haar neus. Zoals bij het aftakelen. En Grootmoeder lopend door het veld, met een kindje op haar arm, met blijde ogen, toen Grootmoeder nog veel jonger was. Grootmoeder met tranen in haar ogen en Grootmoeder met een gebalde vuist. Ze ziet Grootmoeder schreeuwen en zingen. Ze ziet haar in al haar gedaanten.
“Hoe kan dat nou,” vraagt ze aan de Wolf.
“Het is jouw Moeder’s spiegel,” zegt hij.
“Maar Moeder doet er niets meer mee,” zegt Roodkapje, “ze wou ze juist weer teruggeven”.
“Nee. Ze wou mij niet meer zien,”zegt de Wolf.

En nu zit Grootmoeder erin.
“Neem hem maar weer mee naar huis. Zodat Moeder naar haar kan kijken wanneer ze dat wil,” zegt de Wolf.
“En van jouw Moeder,” vervolgt hij, “krijg je je eigen spiegel. Om naar haar te kijken, en naar jezelf. En dan zie je mij ook”.
En toch begrijpt Roodkapje het niet.
Moeder zegt altijd: Blijf op het pad; pas op voor de Grote Boze Wolf.
Maar de Wolf is helemaal niet Groot en Boos. Zelfs niet echt een Wolf, maar wel zo sterk.
“Ga nu maar gauw terug naar huis,” zegt hij en legt de spiegel terug in de mand.
En terwijl hij Roodkapje’s cape dichtknoopt en haar haar rode mutsje opzet legt hij uit dat Grootmoeder het verhaal niet goed vertelt heeft aan Moeder. En dat komt omdat háár Moeder niet zo goed vertellen kon.

“Het is: past op. Blijf op je pad, en de Grote Boze Wolf past op”.
En de Wolf zegt dat hij nooit anders zal zijn. Of ze hem nou in Grootmoeder’s of Moeder’s spiegel ziet. Of later in die van haarzelf.

Getagd , , , , , , . Bladwijzer de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *