Tegenpret

Ik heb de laatste tijd veel last van tegenpret. En dat is onleuk. ‘Onleuk’ is nog niet opgenomen in de Dikke van Dale maar draagt ongeveer dezelfde wiskundige formule in zich als bijvoorbeeld het woord mogelijk, wat we ook kennen in de ‘on’-vorm. Als er ‘on’ staat voor mogelijk, dan gaat het niet door. Dan is het klut, (kut én klote) en ontstaat er behoefte aan een knusje, (knuffel én kusje).
Voor iemand die het glas altijd half vol ziet is het best vreemd iets half leegs te bespeuren, laat staan een bodem te zien.
En toch is het zo.
Mijn uitgeefster verandert van gedachten en besluit toch niet buiten haar boekje te gaan. Qua genre. Ik krijg mijn novelle, Project 16- de hakkenvrouw weer terug.
Mijn bijdrage voor een andere publicatie verschijnt anoniem en ineens kan ik mij niet meer opleuken of leuk-leuren. Een onleurende ervaring, dus. Een soort overheersbeestje in plaats van de versie die we kennen.
Maar wat doet een vrouw tegen een vervelende keelpijn? Juist. Die koopt een nieuwe jurk.
In mijn geval gaat het dan om schoenen. Laarzen in dit geval, half-lang, zwart, goede lange hak én in de aanbieding. Mijn knusje.
Geen maat 36.
Dan ga ik een aardbeiengebakje halen.
Uitverkocht.
Dan ga ik een lekker biertje voor mijzelf halen.
Schap leeg.
Dan ga ik mijn Ducatie waar je zonder helm op mag maar voltanken. Want dat moet ik nog doen en de tank is zo goed als leeg. Ik krijg geen lekke band, onderweg. Ik red het ook prima, met de onvolle tank.
De hele pomp bestaat niet meer. De mix is eruit, sinds 1 oktober.
“Ik wil je wel helpen, maar dan ben ik verantwoordelijk,” zegt de pompman.
Erger bestaat natuurlijk niet. Verantwoordelijk, je zal het maar hebben.
Ik app mijn Allerliefste, in verband met mijn leed en het knusje.
Eén vinkje.
Geen verbinding.
Dit is toch niet grappig meer, vraag ik mij af, wat doe ik verkeerd?
Het antwoord op deze typische vrouw-vraag is: helemaal niets. Er bestaat zoiets als pech, als tegenpret. Sterker nog; het voelt alsof wanneer er nog één ding mis, mix, maat 40 gaat, ik vreselijk moet lachen.
Ik hoor iets in de slaapkamer.
Het is een kotsend geluid.
Eén van mijn poezen heeft het trainingspak van mijn vader ondergekotst.
En de poef.
“Het geeft niet, Mazi,” zeg ik tegen haar.
Ze is achttien en bezig met haar laatste levensfase. Onleuk. En wat on-mogelijk is, gaat niet door. Gewoon klut.
Ik geef haar een knusje.
En neem haar op schoot, met een half-vol glas.
En proost met haar, op pret.

Getagd , , , , , , , , , . Bladwijzer de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *