Goed plan, doen we niet

Er zijn van die zaken die in de categorie ‘goed plan, doen we niet’ horen maar toch gebeuren. Omdat je er een kans in ziet of het belangrijk acht voor anderen of omdat je gevoel zegt dat het op je pad komt (terwijl het later dan een zijweg blijkt). Zo krabbel je je dan daarna achter je oren, op je hoofd of waar dan ook en denkt:
“Had ik misschien en wellicht toch beter maar niet kunnen doen”.
Dat helpt niet. Laatst werd ik gevraagd of ik voor de radio iets wilde vertellen over de casting van mijn nieuwe productie SHE. Zij wilden eerst een voorgesprekje en daarna zou ik dan de geïnterviewde worden. Goed plan, dacht ik.
Het feit dat ik griep had meende ik simpelweg op te lossen door veel rust te nemen die dag en hier en daar wat te slapen. Aangezien mijn hersens een toerental hadden van -10 en vrij weinig connectie leken te hebben met mijn spraakvermogen, besloot ik ook dat het verstandig was even wat antwoorden op de te verwachten vragen te formuleren. Dat ging met een dermate verbazingwekkende traagheid dat ik daardoor van schrik niet in slaap kon vallen. Een ander, nog veel complexer probleem wat mij wakker hield was dat ik erachter kwam er nog helemaal niet aan toe te zijn om mijn script, nog nat van de inkt, aan een onbekend publiek toe te vertrouwen. Een geïnterviewde die eigenlijk niets wil zeggen. Althans niets over het onderwerp. Lastig- en na drie aspirines leek het me bijna onmogelijk om nog langer de geïnterviewde te worden. Maar ik ging toch. Althans, dat probeerde ik. Zodra ik wegreed gaf mijn navigatie aan totaal de draad kwijt te zijn, net als ik. Het magnetisch veld was verstoord en ik moest achtjes draaien met het ding. Dat ziet er vreemd uit wanneer je iemand langs de kant van de weg ziet staan terwijl er wilde bewegingen met de armen worden gemaakt. Die nergens op lijken. Ik deed dit vier keer. Toen werd ik gebeld- waar ik bleef. Voor het voorgesprek. Ik legde mijn verstoring uit en de nieuwe collega van de radio zou mij er wel naartoe navigeren.
“Wat zie je nu, ” vroeg hij, “zie je de supermarkt al?”
“Ik zie een doodlopende weg”.
“Doodlopende weg?” vroeg hij met een iets te hoge stem.
“Akkers, “vulde ik aan, “bomen”.
Voor mijn gevoel kon er ook ieder moment een hert verschijnen.
Het goede plan voelde niet meer zo goed aan. Gelukkig was er nog een andere dame die ook een bijdrage aan het interview zou doen. Zij nam kordaat het heft en de telefoon in handen en loodste me naar de supermarkt.
“Blijf daar staan. Ik haal je op- want anders komt het nooit goed”.
Daar was ik inmiddels ook van overtuigd en dankbaar rende ik de straat op, zwaaide met mijn armen zodra er een auto met scheurende banden op mij af kwam. Pas erg laat drong het tot me door dat ik niet het gezicht zag van de doortastende dame maar het gezicht van een meneer. Waarop duidelijk te lezen stond dat hij mijn gedrag zeer gestoord over vond komen (misschien ook omdat ik ineens snel wegrende).
Uiteindelijk in de studio aangekomen duikelden we meteen het interview in, dus zonder het voorgesprek.
“En, ” werd mij gevraagd, “waar gaat het over?”.
“Waar gaat het over?” herhaalde ik geschrokken. Want daar wilde ik het niet over hebben.
“Het zou toch over de casting gaan?”
Ondertussen begon een andere dame aan de microfoon waar ik voor zat te trekken. Zo’n radio-microfoon met spuuglapje. Zodat de microfoon goed voor mijn mond zat. Maar nu kon ik niet meer over het spuuglapje heen kijken. Ik werd nu geïnterviewd door een grote zwarte cirkel, leek het wel. Ik begon te hopen dat iemand mij in achtjes zou willen draaien om mijn magnetisch veld weer te herstellen. En ik wou heel graag naar huis.
Thuisgekomen liet mijn Lief mij de opname horen, van het programma van daarnet. Deze opname stelde me enigszins gerust. Ik hoorde wat galm in mijn stem en er was ook redelijk wat hoog uitgehaald. Mijn stem was daarmee zo omfloerst geworden dat ik er halverwege het interview spontaan van in slaap viel. Al had ik drie aanslagen aangekondigd, het gaf allemaal niets. Lief en lijzig, lijzig en lief en welterusten.
Gelukkig ben ik niet de enige die af en toe onderhevig is aan het ‘goed plan, we doen het niet’-syndroom. Mijn Lief ging laatst naar de bakker en zag dat de bakker een soort sprits had gebakken. Een soort sprits met een randje chocola in een mooie, doorzichtige verpakking met een strikje erom.
“Herkenbaar,” vertelde mijn Lief aan de bakker, wijzend op de sprits.
“Hoezo,” vroeg de bakker vriendelijk aan de hopelijk aanstaande klant.
“Het mannelijk geslachtsdeel”.
Mijn Lief wilde nog in detail treden maar de (vrouwelijke) bakker onderbrak hem snel en zei:
“Maar het is een Friese Doorloper”.
Hierop heeft mijn Lief de sprits met de chocola nog enige tijd bestudeerd maar het is veelzeggend genoeg dat hij hem niet heeft gekocht.
Nadat mijn Lief mij het verhaal vertelde van het mannelijk geslachtsdeel van de vrouwelijke bakker, met chocola, wist ik het meteen: slecht plan, en we doen het wel. Ik vertrok meteen van huis om naar de sprits te gaan kijken. Bij de bakker stond ik voor het prachtig opgemaakte schap met allerlei lekkernijen. Er was alleen één ding wat volgens mij absoluut niet kon, een spaak in het wiel, een dissonant in een harmonisch geheel. Bij één product stond een handgeschreven kaartje:
‘Dit zijn Friese Doorlopers’.

Goed plan, we……

 

 

 

Getagd , , , , , . Bladwijzer de permalink.

2 reacties op Goed plan, doen we niet

  1. Rikie zeggen:

    doen het toch elke keer stiekem weer!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *