House of horror

Zaterdagavond. Gezellig en cosy met de allerliefste kitten Bella onder de plaids en met de kussens in de rug lekker SVU kijken. Op Videoland. De één na de ander. Maar het moet er toch een keer van komen: naar bed gaan. Hoe laat zou het zijn?
Tot mijn verbazing is het al 0:44uur. Beetje laat voor mijn doen. En vliegen ineens de alarmbellen om mijn oren, roodgloeiend draaien ze in de rondte.
Het is te stil geweest, tijdens SVU. Waar is kitten Fien?

Ik ontdoe Bella en mij met een armzwaai van onze plaids en sprint naar de slaapkamer. Het raam staat op een kiertje. Kan Fien erdoor? Fien kan Alles. Durft alles. Doet alles.
Ik roep haar, kijk in de kasten, kruip op mijn buik met zaklamp onder het bed. Geen Fien. Ik detecteer ook geen bewustzijn. In huis. Met mijn antenne. Ze is buiten.
Vier maand oud. Te klein.
Nu Fien buiten is, zet ik het kattenluik aan de achterkant open. Zodat Karel erin kan. En ik sommeer hem Fien te zoeken en haar thuis te brengen. Dat kan. Dat verstaan dieren, op afstand.
Daarna ren ik de straat op. Roep haar. Kijk onder de bosjes, loop heen en weer op straat. Roep haar. Geen Fien. Nergens een Fien. Het is donker en ik zie ook geen steek, ook niet met mijn zaklamp.
Om 02:00 uur kruip ik met Bella in bed.
“Laten we maar HOPEN dat ze weer thuiskomt,” zeg ik tegen Bella.
Laat het niet zo zijn dat ik weer een poesje verlies.
Een geluid, 03:00uur.
Een geluid?! Bij het raam?!
Ik spring met zo’n vaart uit bed dat ik nog net niet het plafond raak en met twee passen, met mijn geblesseerde enkel, sta ik bij het raam met het kiertje. Daar zit Fien vast. Het kopje is erdoor, het lijfje wurmt zich in een bocht. Ik red Fien. Maar die is niet onder de indruk. Knuffel, knuffel; daar ben ik weer. Leuk hè.

Ik bezwijk zowat aan een hartverzakking en zet haar bij zusje Bella op het slaapkussen aan het voeteneind.
Met geen mogelijkheid kan ik gaan slapen met mijn adrenaline rondtollend als een rollercoaster alsof ik pretpark ben met een achtbaan. Of zestienbaan.
Ik besluit om 03:00uur ’s nachts een GLAS WIJN tot mij te nemen.
De Bordeaux staat nog open. Ik neem een slok terwijl ik niets anders meer kan denken, en zeggen, dan ‘potverdepotverdepotver’.
ZUCHT.
O, verrek, het kattenluikje. Fien is weer in de house.
Ook weer rennend naar het luik en zet het speciaal daarvoor geprepareerde stuk schaakbord ervoor. Zo, luik dicht.

Maar ik hoor een krabbel. Dat moet Karel zijn; luik weer open.
Maar het is Karel niet.
Tot mijn allergrootste ontsteltenis is het Fien.
Hallo, reuze grappig; daar ben ik weer.
AAAAAAAARGGHHH.
Ik hengel haar binnen een seconde naar binnen. LUIK DICHT.
En hoor meteen hierop weer een krabbel, en een soort stomp.
LUIK OPEN, met Fien in de houtgreep.
KAREL.
Karel komt binnen. Hij heeft als het ware Fien door het luik geduwd.
LUIK DICHT.
“En nu gaat er niemand, maar dan ook niemand meer naar buiten,” roep ik panisch tegen mijn prinsje Karel en het allerliefste poesje Bella en mijn allerliefste monstertje Fien.
Ik gooi er nog een glas wijn in. En kijk maar niet meer hoe laat het is. Ik ga naar bed.
Met Karel, Bella en Fien.
Fien brengt me nog even ronkend een knuffeltje. Wat een heerlijk spannende, uitdagende avond heeft ze gehad. Leuk hè.
Maar gelukkig. Ze komt terug.
Kitten Fien springt even anderhalve meter omhoog, op de container onder het raam.
ZONDER KIERTJE.

Getagd , , , , , , , , , , , . Bladwijzer de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *