Het is exact 02:22 wanneer ik in volsagen paniek wakker word. Ik heb geen sigaretten meer. Geen sigaretten meer.
Ik heb daarnet gedroomd dat ik mijn zusje vroeg of mijn ouders, die al heel lang niet meer roken wegens fysieke afwezigheid, niet een geheime plek hebben waar nog een Camel-sigaret te vinden is. Die ik kan pakken.
Ik heb wel sigaretten.
Nog een paar zelfs, voor noodsituaties. Op een geheime, bijna onmogelijke plek. Tenzij je een atleet bent. En dat ben ik niet.
Is dit een noodsituatie, vraag ik mij af.
Wel degelijk, en sterker nog: nog acuut ook.
Ik stort me door de dichte tussendeur in verband met de kleine poesjes die niet zo klein meer zijn maar op het bed slapen en niet door het kattenluik mogen wat ’s nachts openstaat. Voor Karel.
Ik perform om ongeveer 02:22,5 een waanzinnig gymnastisch hoogstandje en beland heelhuids op de bank. Met de sigaret.
Maar voor ik hem aan kan steken, werkt Karel zich door het luik wat ik achter hem moet sluiten. Daarna moet de tussendeur open zodat hij op bed kan gaan liggen.
Maar wanneer de tussendeur opengaat komen de ‘kleine poesjes’ als Max Verstappen Een en Twee de kamer in racen. Want er wordt mogelijk een bakje gevuld met lekkers. Behalve dat hebben ze niet veel gemeen. De zusjes van inmiddels zes maanden oud, al grote meisjes hebben een totaal verschillend karakter. Bella is van het lief en de gezelligheid. Je kunt ook normaal tegen haar praten. ‘Nu even niet,’ bijvoorbeeld, of ‘geen spulletjes uit m’n knutselhuisje halen’.
Bella gaat er alleen af en toe vandoor met het muisje wat ik nodig heb voor mijn PTSS-project en verder apporteert ze met haar eigen muisjes. En pakt ze mijn wattenstaafjes af die ze probeert op te eten. Dus dan ren ik achter haar aan en geeft ze ze zonder morren terug.
Fien is anders. Ik vermoed een andere vader, want dat kan bij kittens die uit hetzelfde nest komen. En dan ook nog een buitenlandse vader. Want Fien verstaat geen ‘nee’. Het moet dan een Duitser zijn, zei Annet uit wiens stal ze komen.
Probeer ‘nein’ raadde zij me aan. Maar ik houd niet van die taal. Dus bij Fien blijft ‘nee’ gewoon ‘ja’ of ‘toch’ of ‘toch wel’. Op het aanrecht zitten, door de glazenkast stampen, er met mijn oorbel of wasmand vandoor gaan. Wanneer je denkt dat de ME door het kattenluik binnenkomt en ‘politie’ gaat schreeuwen, is het gewoon Fien. Wanneer er met veel bombarie iets omklettert in de gang of slaapkamer, kijk ik niet meer op. ’s Morgens en ’s avonds springt ze bij mij op schoot en gaan we knuffelen. Zij natuurlijk met haar kopje pal voor mijn telefoon en wanneer ze voldoende heeft ‘getankt’ springt ze omhoog, meestal met een flinke stoot tegen mijn bril, au, en pakt ze de draad van haar levenslustige leven op.
Ik concludeer ondertussen dat mijn project non smoking op deze manier niet echt van de grond komt. En dat ik zelfs wens dat zo’n sigaret langer is in plaats van korter. Dat ik toch zelfs bereid ben van mijn ouders te stelen, en mijn zusje medeplichtige te maken. Dat gaat best ver. Daar zou ik toch eens stringent over na moeten denken.
Maar niet de volgende ochtend.
De volgende ochtend hebben we een bezoeker in huis. Hij is pikzwart en heeft een wintervacht en hangt rond bij de met valeriaan ingesmeerde krabpaal.
Het is buurman Spike, van op de hoek.
Karel is daar niet content mee. Bella kijkt in stokstaartjes-stand naar het zwarte fenomeen. Fien geeft geen sjoege, want ze zit bij mij op schoot. Wat kan haar overkomen? Toch gewoon helemaal niets?
Karel jaagt Spike het huis uit, met Bella met dikke staart in zijn kielzog. Maar Spike komt gewoon weer terug. En rent door mijn huis naar de slaapkamer waar hij zich onder het bed verschanst. In opperste verbazing volgt Bella hem, een beetje onzeker maar met dikke staart.
Wat zullen we nu krijgen, een onbekende vreemde kerel onder haar bed?
Ik neem via-via contact op met de verzorger, van Spike. Kan hij even langskomen om Spike onder het bed vandaan te halen? Zodat de rust in mijn huis kan wederkeren en ik mij dientengevolge niet verlies in het volgende excuus om weer een sigaret te gaan roken? Ik ga alweer randje, randje.
Binnen vijf minuten gaat de deurbel en staat de verzorger die ik eigenlijk niet ken, voor de deur. Met een zakje kattensnoepjes.
“Mee naar de slaapkamer,” roep ik.
Dat is voor het eerst in mijn leven. Dat ik een onbekende man meteen naar de slaapkamer dirigeer. In de regel bood ik eerst koffie aan, of een glas wijn. Maar nu niet.
En zo observeer ik twee billen en een blote rug van een man die op handen en voeten rondom mijn tweepersoonsbed kruipt. Met de zaklamp van zijn telefoon aan en rammelend met een zakje kattensnoepjes. Maar daar trapt Spike niet in. Het kost de man aardig wat rondjes voor hij Spike in zijn nekvel kan grijpen en onder het bed vandaan kan sleuren. Ik had ondertussen mijn visitekaartje gepakt wat ik met wederzijdse toestemming in zijn achterzak steek. Ik zit immers ook nog eens met voorbedachten rade, aan zijn kont. Hoewel er niets mis is met mijn motief kan zoiets toch heel verkeerd vallen, in het #hetoo-tijdperk.
De rust is wedergekeerd, in mijn huis. De kleine poesjes, eigenlijk grote meisjes spelen buiten in de sneeuw. Mijn grote kerel Karel ligt op bed bij te komen van zijn nachtelijke wandeling. Ik krijg zo bezoek en moet het aanrecht nog opruimen.
Overslaan, sla die sigaret over, skip it, dit is geen noodsituatie!
De twee sigaretten die ik nog heb branden in mijn stash. Nog even en ik tover er eentje telekinetisch in mijn hand.
Ik sta op met een hele diepe zucht. Nu eerst de vaatwasser.





