Mijn Lief houdt zich tegenwoordig bezig met duurzaamheid en groen ondernemen, papierloos vergaderen en wel met die gedrevenheid dat hij er een onderneming voor heeft opgericht. En als je meedoet met zijn bedrijf, krijg je zelfs een boom van hem. Als heel veel mensen meedoen, wordt dat weer een heel bos. En ineens vroeg ik mij af hoe het eigenlijk zit met de duurzaamheid van een mens, in zo’n bos. Want zo tussen waken en slapen in (het was al laat), doemde ineens het beeld van een bos in mij op waar ik vaak kwam met een ex van mij en ik hoorde het hem weer zeggen:
“Hm. Even een leuk neukplekje zoeken”.
Op één of andere manier klonk het als ‘leuke kastanjes zoeken’ of ‘leuke truffels opgraven’. Ik voelde me niet direct aangesproken en we liepen gewoon verder. Hij speurde, redelijk laag bij de grond naar een ‘leuk neukplekje’ en ik volgde zijn blik. Daar zijn wij vrouwen goed in, de ander te volgen bij gedachten, beleving en welzijn en zo bevonden ook mijn ervaringen zich laag bij de grond, in het bos.
“Hm,” zei hij weer, “leuk neukplekje zoeken”.
Ik vond het vooral erg fris, die dag maar ik begon het wel een spannende aangelegenheid te vinden. Want wat ging er gebeuren zodra hij het leukneukplekje had gevonden? Het leek me sterk dat dat het doel was; het leek me meer onderdeel van een proces. Hij zou zeker eerst zijn blik en daarna lichamelijke onderdelen op mij richten. Maar hoe zou hij me verleiden want mijn winterjas zou niet vanzelf uitgaan. Zoals ik al zei, ik vond het fris die dag. Dus terwijl hij een leukneukplekje inspecteerde stond ik op het pad met de handen in mijn zakken en dacht:
“Nou wat een rare steen. En die bladeren zijn ook nat”.
Ik voelde mij, misplaatst bleek later, in een soort machtspositie omdat ik meende het enige vrouwelijk wezen in de omtrek te zijn. Het maakte me op één of andere manier ook erg geduldig en keek ik rustig toe hoe hij het ene na het andere plekje afkeurde. Net als ik.
Zo laag bij de grond speurend waren wij dieper en dieper het bos ingedrongen. Hij voorop, ik erachteraan.
“Leuk neukplekje,” zei hij weer.
“Daar is een stronk,” zei ik.
En ineens keken wij elkaar aan, ergens tussen de 1.80m en de 1.65m (zonder hakken) maar wij keken ook om ons heen. En daar waren de ogen van het andere vrouwelijke wezen. En zij keek ons aan. En zij verscheen in de vorm van een enorme Laaglander. Het heet een koe te zijn maar ze lijkt op een mammoet. Met slagtanden.
“Rennen!”, riep mijn ex en voegde de daad bij het woord, zoals dat zo mooi heet.
En wij renden, hij voorop en ik erachteraan.
Ik vond het zeer bijzonder om te ervaren hoe men in nood in een totaal ander bewustzijn het leven ervaart. Ineens kon ik, al rennend, en de wortels van de bomen op het pad zien zodat ik eroverheen kon springen en tegelijkertijd elke boom die voorbij kwam kon beoordelen op ‘inklimbaarheid’. Er stonden veel berken, wat me daarvoor bijvoorbeeld totaal niet opgevallen was.
Tegelijkertijd bedacht ik mijn probleem met de Nederlandse taal aangaande de meervoudsvorm van het woord ‘koe’. Immers, het ABN schrijft voor dat meervoud +’en’ is en enkelvoud -‘en’. Bij ‘koeien’ kom ik dan uit op ‘koei’. Eén koei, twee koeien. Stel dat wij achterna werden gezeten door een vark. Immers twee varken, geeft enkelvoud: één vark.
En zeg nou zelf, ‘we hebben jonge varkjes’ klinkt toch veel leuker dan ‘we hebben een stel biggen’?
Mijn ex rende voort en voort en ik begon een beetje moe te worden van het rennen.
“Hij…..”, riep ik, “hij……(wat natuurlijk ‘zij’ had moeten zijn)….loopt…loopt….niet meer achter ons aan”.
Uiteindelijk hielden wij hijgend halt op een asfaltweg. En gingen op zoek naar de auto, om veilig naar huis te gaan.
Ik ben heel blij dat mijn Lief doet in duurzaamheid en bomen besparen, minder uitstoot en gewoon dat wanneer je geen papier nodig hebt, je de bomen ook niet hoeft te misbruiken.
Maar als hij ooit in Laaglanders gaat doen, dan ren ik weg.





