Afscheid

Nou mam, daar ga je dan. De textielbak in. Ik kan je niet meenemen. Of achterlaten. En niemand wil je. Niet hun stijl, niet van deze tijd.
Nu ga je iets moois, iets warms worden voor iemand anders. Iemand die  ik niet ken.
Ik zie je nog zo staan, station Arnhem, temidden van de andere reizigers.
“Wat ben je mooi!”, dacht ik, “wat ben je mooi!”
Mijn moeder in een prachtige jas. Op het perron. Na acht jaar geen contact.

We gingen iets drinken op de Korenmarkt. Jij nam tomatensap, met peper en zout. Ik had daar nog nooit van gehoord. En je zette een doos op de tafel. Mijn erfenis. Die had je meegenomen. Want waarom wachten tot je dood was? Kon je toch net zo goed bij leven geven?
Mijn erfenis bestond uit een serviesje. Het serviesje waaruit we koffiedronken met kerstmis, alleen dan. Zij had dat gekregen op haar 19e, van haar vader. Ik geloof nadat ze terug waren uit Indonesië. Als kind was ik dol op dat poppenhuisservies met de kleine kopjes en fragiele schoteltjes. Ik zag mij op mijn beurt al helemaal zitten aan tafel, met kerstmis, met al mijn kinderen. Stuk of vier, vijf denk ik.
Het servies wordt overgenomen door mijn jongste zus, wel mét en hele grote zelfs.
Dan blijft het in de familie, vond ze.
“En wil je dan ook haar jas?”
Nee. Ze wist welke ik bedoelde maar ze wilde haar niet.
“Doe maar in de textielbak,” zei ze, “dan heeft een ander er nog wat aan”.

 Het afscheid op station Arnhem verliep wat anders dan de ontvangst.
“Nou,” riep mijn moeder terwijl de deuren zich sloten, “als ik alles van tevoren had geweten, had ik nooit kinderen genomen”.
De trein zette zich in beweging en ik bleef met mijn erfenis onder mijn arm achter op het perron. In redelijke verwarring. Bedoelde ze nou mij of ook mijn zussen, kinderen in het algemeen of was dit een statement over haar leven en was het niet persoonlijk?

Nu kwam mijn moeder wel vaker voor mij wat onverwachts uit de hoek. Dat had met haar gezin van herkomst te maken. Dat was niet echt stabiel te noemen en bestond uit een nogal vreemdgaande vader met losse handjes en een redelijk aantal halfbroers en halfzussen en een ‘tweede moeder’ waarbij mijn moeder van dat moederschap niet veel mee had gekregen. Maar deze vrouw had ervoor gezorgd dat zij kon gaan studeren. In Amsterdam. Verloskunde. Als eerbetoon ben ik naar haar vernoemd; Lily. Maar daar was deze vrouw helemaal niet van gediend, in tegendeel zelfs en mijn moeder stelde mij dan gerust door te zeggen dat haar ‘Lily’ anders werd geschreven dan mijn ‘Lily’.

Mijn moeder kwam dus niet uit een gezellig gezin.
“Ik weet wel hoe het niet moet, maar niet hoe het wel moet”, zei ze dan.
Mijn moeder was best een intelligentie vrouw en dit getuigde van helder inzicht. Het was ook zo.
Dus ons gezin blonk ook niet altijd uit in gezelligheid maar op zaterdagavond keken we met ons allen tv. Met een zak wokkels erbij. We keken dan naar een show met Willem Ruys of Ron Brandsteder. Die Ron ontmoette ik later nog eens bij de opnames van Dancing with the Stars. Hij meende mij te herkennen, en lachte en zwaaide enthousiast naar mij. Waarop ik, minstens zo enthousiast glimlachend terugzwaaide. Tot een nader contact kwam het niet, tussen ons.
Later ging die gezelligheid met die wokkels er weer af, bij mijn moeder. Het was niet structureel.
Structureel voor mijn moeder werd een Snelle Jelle. Een soort ontbijtkoek en die nam zij dan ’s avonds. Om half tien. En daarna wilde mijn moeder naar bed.
Je kon dus een glaasje water nemen. Gewoon uit de kraan.
Mijn oudste zus heeft de taak waargenomen een intiem gesprek te voeren met mijn moeder over deze gang van zaken. En zowaar; bij een volgend bezoek bood mijn moeder mij, triomfantelijk, een glaasje wijn aan. En ik kon nog kiezen ook. Wit, rosé, of rood. Uit de grote kast in de kamer, onderste plank. Daar stonden drie mini-flesjes op een rijtje. Ik nam lauw wit. Daarna lauw rosé en daarna dronk ik alle rode wijn op!

Het werd overigens niet echt een geslaagde avond tussen mijn moeder en mij want wij belanden weer in spraakverwarringen waarbij mijn moeder exact wist hoe het zat en ik nergens ook maar het begin van een touwtje aan vast kon knopen. Dus ik vertrok maar voortijdig, ditmaal met mijn tas en schoenen onder mijn arm.
“Geef mijn sokken terug,” riep ze me nog na op de oprit, maar ik had het gaspedaal al ingetrapt.
De sokken heb ik nooit teruggegeven. Ik had een stukje moeder ‘gejat’. En mijzelf toegeëigend. En ik voelde me eigenlijk niet eens schuldig. Ik keek graag naar die zachte, warme, lichtgrijze sokken in mijn la. Deed ze bij tijd en wijle ook aan.
Met de jas ging het anders. Mijn moeder ‘was’ niet meer en haar jas, ‘wat ben je mooi!’ werd een erfstuk. En hing in mijn kast. Jaar na jaar. En nog meer jaren. Vijftien jaren.
Ik kan je niet meer met me meenemen, ik kan je ook niet achterlaten. Het allerlaatste afscheid. Daar ga je dan, mam. De textielbak in. En er blijft een jas over. Voor iemand anders.

Getagd , , , , , , , , , , , . Bladwijzer de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *