Erfgoed DNA

Mijn moeder vond het vreemd dat ik als kind van mij af schilde wanneer ik een aardappel in handen had, in plaats van naar mij toe.
“Dat doen alleen Indonesische mensen,” zei ze.
Het kon niet liggen aan haar tweede moeder, Lily die Indonesisch was. Naar wie ik vernoemd ben waar zij overigens niet op zat te wachten. Want behalve deze psychische ballast heeft zij geen DNA aan mij over gedragen. Opmerkelijk heb ik altijd wel gevonden dat er in mijn leven altijd wel Indonesische mensen waren die zich aandienden, en weer vertrokken. Het was nooit vreemd maar eigenlijk heel gewoon.
Een ander onopgelost mysterie werd mijn achterover gekantelde baarmoeder.
“Dat zien we alleen bij oosterse vrouwen,” krabbelde de gynaecoloog zich achter zijn oor.
Mijn manier van aardappels schillen was overigens niet het enige, wat mijn moeder vreemd vond. Mijn moeder vond mij best vreemd.
Zodra ik redelijk kon praten vertelde ik haar over mijn ‘andere mama’, in Engeland. Ik kon haar zien terwijl ik over de glooiende heuvels naar haar toe liep. En zij mij aan zag komen vanuit ons huis waarvan het bovenste gedeelte van de voordeur open kon. Daar stond ze, met haar bruine haar in een grote knot op haar achterhoofd.
Mijn moeder vond dat maar niks. Nog een ‘andere mama’ erbij.
Of ik dan ook Engels kon, vroeg ze. En ik groef in mijn allerdonkerste herinnering. Maar het kwam niet naar boven, ik brabbelde wat waar mijn moeder om ging lachen.
Samen met een vriendin.
Ik had het daarna nooit meer over mijn Engelse moeder. Totdat mijn vader vertelde dat de jongens op de LTS, waar hij werkte, Engels leerden.
“Mag ik dat ook,” vroeg ik.
Dat mocht.
Ik was toen zeven.
Behalve mijn moeder heb ik ook mijn vader eens flink laten schrikken.
Wat ik meemaakte als kind, was dat er elke avond iemand op de stoel in mijn kamer ging zitten. Ik was doodsbang. Lag met de deken over mijn hoofd. Ging niet naar de wc, wanneer ik moest. En als ik wel moest, dook ik vanaf het voeteneind weer in bed. Het was niet vol te houden, die angst. Op een avond trok ik de deken van mijn hoofd, ging rechtop zitten en keek in de richting van de stoel. Het moest. En ik voelde de aanwezigheid.
Het was een vrouw. Die daar rustig zat. En op mij paste. Ze was heel lief, heel warm en deed verder niets. Ze zou tot aan mijn dertigste bij mij blijven. Daarna vond ze dat ik het zelf kon.
Zij was de moeder van mijn vader. En wat ik wist van mijn al lang overleden oma’s was dat zij beiden Elizabeth heetten. De ene met een s, de andere met een z.
“Maar papa,” vroeg ik hem op niet het meest gunstigste moment. Hij was de krant aan het lezen, aan tafel en zat daarvoor met een knie op de stoel, nog een been ergens anders en zijn lichaam over de krant gebogen.
“Ze noemden jouw moeder toch gewoon Lies?”
Mijn vaders knie gleed van de stoel waardoor hij een duikeling maakte, hij trok wit weg en vroeg in volle verbazing:
“Hoe weet jij dat?”
Ik durfde niet te zeggen dat zij elke avond langskwam. In de stoel ging zitten. Ik was ervan overtuigd dat hij mij, net als mijn moeder, nogal vreemd zou vinden.
Nu kom ik uit een nogal kleine familie, inderdaad zonder oma’s, één opa en wat losse flodders aan wat halve en hele tantes en ooms waar niet veel contact mee was.
Wanneer er dan wat mensen overlijden, is de familie al gauw meer dan uitgedund. Om toch in goed contact te blijven met mijn roots, mijn wortels waar ik behoefte aan had besloot ik mijn familiair erfgoed eens uit te laten testen. Ik deed dat via My Heritage. Met de kinderlijke hoop eigenlijk, dat mijn ouders toch niet zo netjes waren geweest en er ergens nog een halfzus of halfbroer, of iets dergelijks, zou opduiken waar ik dan leuk koffie mee zou kunnen gaan drinken. Uit de test bleek dat mijn ouders meer dan netjes waren geweest. Meer dan de drie dochters was er niet. Nog wat neven en nichten tot de vijfde, zesde of achtste graad maar niets wat dichtbij kwam.
En toch bracht de test mij een verbluffend resultaat wat mij erg dicht bij mijzelf bracht.
Mijn familiair DNA lag op de eerste plaats in het noorden van Nederland.
Groningen, Friesland. Oma’s, opa en ouders. Vanzelfsprekend.
Op de tweede plaats Groot-Brittannië.
Op de derde plaats Indonesië.

Op de vierde plaats Zweden. Behalve dat ik een Viking met een stofzuiger best leuk vind, herkende ik mij daar niet in. Anderen wel; er is mij regelmatig gevraagd of ik soms Zweeds was. Maar dat heb ik meestal opgevat als een ‘vieze mannen’- vraag en heb de heren af geserveerd. Op lullige wijze. Ook dat nog.
Maar ze hadden dus wel gelijk. Een beetje.

Getagd , , , , , , , , , , . Bladwijzer de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *